Deze pagina: FAQ Printversie van deze pagina printversie

FAQ
frequently asked questions

 

INHOUD

  1. Wat is degeneratie?
  2. Waarom is er degeneratie?
  3. Degenereert al het leven op aarde?
  4. Waarom is degeneratie niet gewoon een onderdeel van de evolutietheorie? 
  5. Hoe is het leven begonnen en waardoor is de soortenrijkdom ontstaan?
  6. Ontstaat alle variatie door degeneratie?
  7. Bestaat er zoiets als natuurlijke selectie volgens de degeneratie-theorie?
  8. Komen er 'zinvolle' mutaties voor?
  9. Waarom zijn soorten zo enorm aangepast aan hun milieu?
  10. De Schepper heeft dus degenererende wezens gemaakt?
  11. Wat heeft je ertoe aangezet dit boek te schrijven?
  12. Wat klopt er niet aan de evolutietheorie?
  13. De evolutietheorie beweert helemaal niet (meer) dat er een ontwikkeling van laag naar hoog is.
  14. Waarom geloven zoveel mensen in de evolutietheorie?
  15. Wat vind je van het creationisme?
  16. Hoe correspondeert de degeneratietheorie met de bijbel?
  17. Hoe zijn de menselijke rassen ontstaan?
  18. Hoe ziet de menselijke toekomst eruit?
  19. De fossielen bewijzen dat er evolutie geweest is, geen degeneratie.

 

Wat is degeneratie?
Degeneratie is het beschadigd of zelfs uitgeschakeld raken van voor het organisme belangrijke of wezenlijke genen. Die 'beschadiging' bestaat uit het verloren gaan van de juiste informatie voor de aanmaak van het eiwit, waar het gen voor codeert. Het is dus geen beschadiging van het DNA of de genen zelf, maar van de informatie die er in opgesloten zit. Dit ontstaat door ongecorrigeerde kopieerfoutjes bij de celdeling, ook wel mutaties genoemd.

De degeneratie-theorie maakt onderscheidt tussen neutrale, tolerante en essentiŽle genen.

- EssentiŽle genen zijn genen die zů essentieel zijn om leven te geven en voort te kunnen planten dat ze nooit volledig uitgeschakeld voor mogen komen in een organisme. Een voorbeeld is hemoglobine dat zuurstof transporteert in het bloed van. Zonder dat geen leven (bij zoogdieren).
- Tolerante genen zijn genen die wťl definitief (lees homozygoot) uitgeschakeld kunnen zijn, maar de drager toch een (ernstig) nadeel of handicap geven. Veel erfelijke ziekten zijn daar voorbeelden van.
- Vervolgens zijn er neutrale genen waarvan het voor de levensvatbaarheid of de voortplanting in principe niet uitmaakt of ze aanwezig zijn of niet. Bij de mens is dat bijvoorbeeld oogkleur, krulletjes en dergelijke.

Degeneratie is dan het beschadigd raken van essentiŽle genen en/of het beschadigd of uitgeschakeld raken van tolerante genen.

Als neutrale genen verloren gaan in een soort, kan dat toch geen degeneratie genoemd worden, omdat dat genen betreft die tot doel hebben variatie te veroorzaken. De aan- of afwezigheid van dat soort genen beÔnvloed de levensvatbaarheid niet of niet merkbaar. Na dergelijk verlies blijft er begrijpelijkerwijs minder 'potentie' tot variatie over.

 

Waarom is er degeneratie?
Degeneratie wordt veroorzaakt door mutaties. Mutaties zijn kopieerfoutjes in het DNA. Het DNA bevat de erfelijke informatie van organismen. In het DNA zit o.a. de codering voor de aanmaak van eiwitten. Eiwitten zijn driedimensionale biochemische robotjes met een specifieke functie (zoals bijvoorbeeld 'zuurstof vervoeren in het bloed'). Door straling (radioactieve of ultraviolette) of door zogeheten 'mutagene' stoffen ontstaan er foutjes bij het kopieren van het DNA. Daardoor kan de code voor een eiwit iets veranderen en dus het eiwit zelf ook. Over het algemeen leidt verandering in een eiwit tot beschadiging of zelfs uitschakeling van dat eiwit en wordt de functie die dat eiwit heeft nog maar gedeeltelijk of helemaal niet meer vervuld. Gaat het daarbij om levens-essentiŽle of ook tolerante genen, dan is er sprake van degeneratie.

 

Degenereert al het leven op aarde?
Ja, planten, dieren en de mens niet uitgezonderd. Het is wel zo dat degeneratie veel harder gaat in kleine afgezonderde populaties dan in grote. Dat komt omdat in kleine populaties de kans groot is dat een aantal originele genen uit de moederpopulatie verloren is gegaan. Bovendien treedt in kleine populaties een hoge mate van inteelt op waardoor er een verhoogd risico is op het openbaar worden van verborgen afwijkingen. In grote niet-geÔsoleerde populaties duurt het enorm lang voordat bij de gehele populatie de goede functionele genen verdwenen zouden zijn. Daarbij komt dat door natuurlijke selectie de afwijkingen over het algemeen minder kans hebben hun foute genen door te geven.

Elke soort degenereert, omdat elk gen van een soort constant het risico loopt door mutaties uitgeschakeld te worden. In de praktijk betekent dat dat alleen die genen in een soort standhouden die essentiŽel zijn om te overleven in een specifiek milieu (wat iets anders is dan essentiŽel zijn voor de levensvatbaarheid!).

 

Waarom is degeneratie niet gewoon een onderdeel van de evolutietheorie?
Omdat het een absolute voorwaarde voor structurele (of macro-) evolutie is dat het aantal zinvolle genen binnen een soort toeneemt. Degeneratie is genenverlies en dus het tegenovergestelde van macro-evolutie. Als soorten degenereren, kunnen ze niet tegelijkertijd ook evolueren. Evolutie is dan tegen de stroom op roeien.

Verder is het zo dat in de evolutietheorie vaak de voorbeelden van degeneratie gebruikt worden om te laten zien dat er evolutie is. Voorbeelden daarvan zijn de niet-vliegende aalscholver (het vermogen tot vliegen kwijtgeraakt), parthogene hagedissen (zich ongeslachtelijk voortplantende vrouwelijke hagedissen), de blinde waterschorpioen (het vermogen tot zien verloren) en sikkelcelanemie (een dodelijke bloedziekte die echter bij heterozygoten tegen malaria beschermt). Verder zijn rudimentaire organen, altijd als 'sterk' bewijs voor evolutie gebruikt, voorbeelden van degeneratie en juist niet van evolutie.

Voor het grootste deel is dat wat 'evolutie' genoemd wordt gewoon het ontstaan van nieuwe variatie door het mechanisme van de natuurlijke variatie (dat is de geslachtelijke voortplanting met als belangrijkste onderdeel de recombinatie). Voor de rest is 'evolutie' Ö degeneratie!

Behalve dat zijn er nog diverse andere redenen waarom macro-evolutie of structurele evolutie genetisch onmogelijk is, die iets te ver voeren om hier kort te behandelen.

 

Hoe is het leven begonnen en waardoor is de soortenrijkdom ontstaan?
Als er degeneratie is, het tegenovergestelde van een ontwikkeling van eencelligen naar zoogdieren en de mens, dan moet het leven begonnen zijn met de creatie van (o.a.) in complexiteit verschillende 'oertypen'. Deze oertypen moeten over het algemeen gezocht worden op familie-nivo. Dat wil zeggen, bijvoorbeeld, een oerwolf, waaruit de vossen, coyotes, jakhalzen en honden zijn ontstaan. Zo zouden er een oerkat, oerrund, oermens en dergelijke zijn geweest.

Alle levende wezens hebben een ingebouwd genetisch mechanisme dat bij reproductie 'automatisch' voor een nieuwe combinatie van bestaand genetisch materiaal zorgt: de recombinatie (dat is het uitwisselen van stukjes tussen de gelijksoortige of diploÔde chromosomen). Door de recombinatie ontstaat nieuwe variatie. Wanneer de oertypen heterozygoot geweest zijn voor hun neutrale genen (dat wil zeggen dat voor die neutrale genen er verschil geweest is tussen de genen van mannetje en vrouwtje en/of tussen de gelijksoortige of diploÔde chromosomen) dan moet zich in hun directe nageslacht een enorme variatie-explosie voorgedaan hebben. In het klein kunnen we dit nog steeds meemaken door twee zuivere inteeltlijnen met elkaar te kruisen (waardoor er heterozygose ontstaat) en hun nageslacht weer met elkaar te laten kruisen (waardoor weer allerlei nieuwe variatie zichtbaar wordt).

Door de oorspronkelijke heterozygose in combinatie met de recombinatie is vanuit die oertypen een enorme uitwaaiering ontstaan waarbij sommige ondersoorten het beter doen in het ene milieu en andere in het andere. Bij deze differentiatie krijgt de ene ondersoort deze set genen mee en de andere ondersoort andere. Elk van de ondersoorten heeft daarmee bepaalde genetische informatie verloren ten opzichte van het oertype. Die combinatie van (voor de levensvatbaarheid neutrale !) genen die het meeste geschikt zijn om in dat specifieke milieu te overleven worden uitgeselecteerd.

 

Ontstaat alle variatie door degeneratie?
Absoluut niet. De meeste variatie ontstaat door recombinatie, een nieuwe combinatie van bestaande genen. Pas als door mutaties genen uitgeschakeld of beschadigd raken die wezenlijk met de integriteit van het individu te maken hebben (de zogeheten essentiŽle en tolerante genen) is er sprake van degeneratie.
(Zie ook antwoord van de vraag hierboven en op de eerste vraag)

 

Bestaat er zoiets als natuurlijke selectie volgens de degeneratie-theorie?
Ja, wel degelijk. Maar selectie, of dat nou menselijke of natuurlijke selectie is, houdt in dat bepaalde genen gekozen worden boven andere, of dat een bepaalde combinatie verkozen worden boven een andere. Als een bepaalde combinatie het 't beste doet in een bepaald milieu, dan betekent dat automatisch dat die genen die nŪet in die gunstige combinatie thuishoort weg-geselecteerd wordt en dus verdwijnen. Selectie houdt automatisch genenverlies in. Selectie is altijd 'downhill evolution', genetische verarming. Door selectie kunnen hooguit gunstige combinaties van genen overblijven, maar door selectie ontstaan geen nieuwe genen.

Verder is het zo dat natuurlijke selectie tegen al te ernstige vormen van degeneratie beschermt en daarmee een populatie gezond houdt.

 

Komen er 'zinvolle' mutaties voor?
Dat kan. Onder neutrale genen kan (bij wijze van spreken) naar hartelust gemuteerd worden, omdat deze genen toch niet van belang zijn voor de levensvatbaarheid van een individu. Ze bepalen echter wel vaak de kenmerken van de uiterlijke verschijningsvorm (het fenotype) en veroorzaken daarmee veel variatie. In de praktijk zal het echter ook bij de neutrale genen meestal zo zijn dat een mutatie een gen of eiwit beschadigt of uitschakelt. Echter, zelfs uitschakeling van een gen kŠn een overlevingsvoordeel opleveren, zoals in het geval van de poolvos, ijsbeer of sneeuwgeit die door mutaties de genen zijn kwijtgeraakt die het pigment in de vacht aanmaken.

Onder essentiŽle genen komen geen zinvolle mutaties voor, omdat verandering van functie van het gen/eiwit daar altijd zal leiden tot een vorm van degeneratie, omdat het dan ook de levensvatbaarheid beÔnvloedt. In essentie, dat wil zeggen in haar essentiŽle genen, blijft een soort altijd gelijk.

Mutaties worden door evolutionisten schromelijk overgewaardeerd.

- De meeste biologische verandering komt tot stand door recombinatie en helemaal niet door mutatie.
- Levens-essentiŽle genen kunnen uberhaupt niet zinvol muteren.
- In tenminste tweederde van de genen van alle soorten zit niet eens variatie.
- 99% van de mutaties is sowieso schadelijk voor het organisme.
- 99% van de (voor het organisme) niet-schadelijke mutaties die verschil maken, betekenen toch een beschadiging of uitschakeling van genen. Namelijk van (voor de levensvatbaarheid en vruchtbaarheid) neutrale genen.
- Voor zover mutaties niet schadelijk zijn voor het organisme en ook niet een uitschakeling van neutrale genen inhouden, zijn ze maar in heel beperkte mate in staat om iets te wijzigen aan een bestaand eiwit. Mutaties kunnen bijvoorbeeld niet eens fatsoenlijk een eiwit langer maken, omdat zij geen aminozuren (waar eiwitten uit opgebouwd zijn) kunnen tussenvoegen tussen bijvoorbeeld twee functionele delen in het eiwit. (Door een mutatie kan een basenpaar tussengevoegd worden, maar niet zomaar drie tegelijk zodat er een heel aminozuur tussengevoegd wordt; drie basenparen coderen voor ťťn aminozuur).
- Een opeenstapeling van mutaties zal leiden tot geheel functieverlies vanwege het specialistische karakter van eiwitten. Nieuwe of andere functionaliteit ligt 'zoveel mutaties ver weg', dat in het proces van opeenstapelende mutatie uberhaupt zinvolle functionaliteit verloren gaat. Bij verlies aan functionaliteit is er geen selectie meer mogelijk en de kansberekening zegt dan dat daar ook nooit meer iets zinnigs uit zal komen.

Door mutaties kunnen dus in een aantal gevallen 'afgeleide' genen ontstaan die toch nog functionaliteit hebben. Maar gezien de enorme beperktheden van dit soort uitzonderingsgevallen (vaak onder kunstmatige door de mens geleide omstandigheden) kan het niet (meer) dienen als mechanisme voor macro-evolutie.

Samenvattend: in het meest positieve geval kunnen 'nuttige mutaties' beschouwd worden als een beperkte vorm van horizontale micro-evolutie, maar in ieder geval niet als drijvend mechanisme voor macro-evolutie.

Mutaties putten als het ware uit de bron van variatie, het allang aanwezige genoom van een soort. Mutaties zijn zelf geen bron van variatie, maar een emmer.
In de praktijk zorgen mutaties ervoor dat alleen die genen overblijven die van overlevensbelang zijn.

 

Waarom zijn soorten zo enorm aangepast aan hun milieu?
Het verlies van niet-overlevensbelangrijke genen betekent dat een soort afhankelijk wordt van het milieu waar hij in leeft of van de overlevings-strategie waar hij mee werkt.. Het is als het ware specialist geworden. De cheetah is zo'n specialist. Hij is op vergelijkbare wijze uit de oerkat ontstaan zoals de hazewindhond uit de wolf is ontstaan.

De cheetah dreigt echter uit te sterven vanwege genetische verarming en degeneratie. Door zijn specialisme is het niet langer in staat zich aan nieuwe veranderingen aan te passen. Selectie is slechts mogelijk als er variatie is. Variatie ontstaat door recombinatie. Na selectie blijft er minder variatie over ťn is er specialisatie ontstaan. Dit is een vorm van 'aanpassing'. Dit soort aanpassing kan niet anders dan 'bedoeld' zijn door de Creator, omdat alle levende wezens zijn uitgerust met het mechanisme van de recombinatie dat ten doel heeft (nieuwe) variatie tot stand te brengen (bij bacteriŽn werkt het iets anders).

 

De Schepper heeft dus degenererende wezens gemaakt?
Niet noodzakelijkerwijs. De hele structuur van het DNA (inclusief allerlei bijbehorende reparatie- en correctiemechamismen) is anti-mutatie-gericht. Alles is er op gericht mutaties te voorkomen. Dat mutaties toch voorkomen komt door mutagene stoffen en/of door straling, niet door genetische mechanismes die ten doel hebben mutaties te veroorzaken. Integendeel, er zijn juist veel genetische mechanismes die mutaties voorkomen of zelfs repareren. Wanneer de leefomstandigheden op aarde zo zouden zijn dat straling en dergelijke niet voorkwamen, dan zou er ook geen/nauwelijks degeneratie zijn.

De mutatie-frequentie hoeft niet altijd geweest te zijn wat het nu is. Er kunnen tijden geweest zijn dat deze veel hoger lag, of juist veel lager.

 

Wat heeft je ertoe aangezet dit boek te schrijven?
De evolutietheorie is de basis van atheÔstisch denken in de Westerse wereld. Sinds Charles Darwin hebben mensen die niet in een God willen geloven een verstandelijk argument om dat niet te doen. In de evolutietheorie wordt de wetenschap misbruikt om de persoonlijke geloofsovertuiging van het grootste deel van de wetenschappers te promoten. Het wordt door veel woordvoerders van de evolutietheorie (zoals Dawkins en Dekkers) gebruikt om af te rekenen met het bestaan van een God of Schepper. De macro-evolutie gedachte is echter geen wetenschap, maar een filosofisch, atheÔstisch interpretatiekader voor biologische gegevens dat aangenomen wordt, maar niet per definitie biologische waarheid is. Je mag zeer uiteenlopende kritiek hebben op onderdelen, maar zodra je Het Grote Verhaal in twijfel trekt ben je een afvallige en niet langer (wetenschappelijk) meer serieus te nemen.

Een belangrijke klacht van evolutionisten tegen creationisten is dat zij niet met een falsificeerbaar alternatief komen. In de degeneratie-theorie is er echter een omvattend alternatief met meer realiteitszin dan het op vooruitgangsgeloof gebaseerde 19de eeuwse evolutie-idee.

 

Wat klopt er niet aan de evolutietheorie?

- Een schromelijke overwaardering van de mogelijkheden van mutaties.
- Het idee dat willekeurige mutaties in combinatie met natuurlijke selectie nieuwe gespecialiseerde (groepjes van samenwerkende) genen kunnen maken en intelligente oplossingen kunnen creŽren voor biochemische problemen.
- Het idee dat het leven door 'zelforganisatie' in een oersoep is ontstaan en zich vanuit eencelligen heeft ontwikkeld tot de diversiteit die er nu is, waaronder zoogdieren en de intelligente mens. Die ontwikkeling houdt een toename aan complexiteit in, of liever een toename van het aantal zinvolle genen. Biologische verandering houdt in de praktijk echter een verlies aan genetische informatie in.

Wat er wťl klopt aan de evolutietheorie is dat er een uitwaaiering is vanuit een bepaald type en dat soorten en milieus niet constant zijn, maar aan verandering onderhevig zijn en zich aanpassen.

 

De evolutietheorie beweert helemaal niet (meer) dat er een ontwikkeling van laag naar hoog is.
"Evolutie heeft geen richting," wordt er wel gezegd en "evolutie gaat alle kanten op". Er had bij wijze van spreken net zo goed een intelligente dinosauriŽr kunnen ontstaan in plaats van de mens. Precies! En daarom komt dat hele idee van een ontwikkeling van eencelligen naar zoogdieren en de mens op de helling te staan.

Dit is namelijk verstoppertje spelen. Het punt is dat er ten opzichte van eencelligen erg veel genetische informatie (of erg veel genen) heeft moeten ontstaan om voor organen en functies te gaan coderen die er eerst niet waren, zoals het oog, darmen, stembanden en hersens. Daar is dus gedurende de veronderstelde 5 miljard jaar ontwikkeling van het leven een voortdurende en gestage toename aan genetische informatie voor nodig geweest, of een toename aan 'complexiteit', zoals men dat placht te zeggen, of een toename aan genen, of een ontwikkeling van 'laag naar hoog', of hoe je het ook maar noemen wilt.

Als evolutionisten nu dus zeggen dat "er gťťn ontwikkeling van laag naar hoog geweest is", omdat "elke soort op zijn eigen manier even modern en complex is", dan zijn er twee mogelijkheden:

  1. die ontwikkeling is er dus inderdaad niet geweest!
  2. die ontwikkeling was er (theoretisch) toch wťl, maar we noemen het alleen niet zo, omdat we anders in problemen komen (met andere algemeen bekende natuurwetten en dergelijke).

 

Waarom geloven zoveel mensen in de evolutietheorie?
Het is de dominante theorie geworden gedurende de laatste 150 jaar. Wij worden er in onderwezen en groeien er mee op. De evolutietheorie claimt het alleenrecht te hebben op biologische gegevens en het ťťn is zo met het ander verweven dat het voor de meeste mensen enorm moeilijk is om de atheÔstische filosofie en de pure wetenschappelijke feiten uit elkaar te houden.

Daarbij komt dat de evolutietheorie voor veel mensen een verstandelijke rechtvaardiging is om niet in een God te hoeven geloven. De evolutietheorie geeft als het ware morele vrijheid: we hoeven aan niemand dan onszelf (en elkaar) verantwoording af te leggen. Niemand van hoger hand valt ons lastig met hoe wij zouden moeten leven. We maken zelf wel uit wat goed of kwaad is. Alhoewel veel evolutionisten zullen beweren dat de evolutietheorie over dit soort dingen niets te zeggen heeft, is het er in de praktijk van alledag toch een logisch gevolg van.

 

Wat vind je van het creationisme?
Het creationisme is als het ware 50% bijbel en 50% wetenschap. Evolutionisme is 50% atheÔstische filosofie en 50% wetenschap, ook al claimen ze met luide stem 100% wetenschap te zijn. De degeneratie-theorie laat eigenlijk zien waarom evolutionisme geen 100% wetenschap is. De degeneratie-theorie is volgens bovenstaande omschrijving geen creationisme, omdat er 0% bijbel in voorkomt en er vrijwel alleen maar wetenschappelijke argumenten gebruikt worden en er wetenschappelijke onderbouwing is van theoretische modellen.

Wetenschap betekent werken volgens bepaalde principes. Wetenschap is niet waardenvrij. Wetenschap kan in zichzelf slecht zijn. Denk maar aan de 'wetenschappelijke' experimenten die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn gedaan. Evolutionistische wetenschap claimt pure objectiviteit en waardenvrijheid te bezitten, maar is dat zeker niet, omdat ze het veld van de empirische wetenschap overschreden heeft door al haar bevindingen aan een filosofisch metafysische kapstok te hangen.

In tegenstelling tot het evolutionisme claimt het creationisme van het begin af geen objectieve wetenschap te bedrijven, maar gebruikt ze de bijbel als uitgangspunt om vervolgens wetenschap te bedrijven. Dat is tenminste eerlijk! Evolutionisten claimen objectiviteit waar uiteindelijk het Grote Geheel toch op allerlei filosofische aannames gebouwd is.

Werkelijke objectiviteit voor evolutionisten betekent dat ze tenminste ook rekening moeten houden met de mogelijkheid dat er een scheppende kracht (geweest) kan zijn. Op basis van wetenschappelijke (of misschien zelfs wel heel andere) argumenten kan je dan voor het een of voor het ander kiezen. Dit soort waardenvrije discussies is nauwelijks mogelijk. Objectieve wetenschap zou misschien per definitie agnostisch moeten zijn, omdat ze eigenlijk alleen alles van het heden onderzoekt. Uit de manier waarop het heden functioneert is niet per definitie af te leiden hoe de werkelijkheid ontstaan is.

 

Hoe correspondeert de degeneratietheorie met de bijbel?
De degeneratietheorie is niet specifiek 'christelijk'. Het komt tot de conclusie dat er een creatie-gebeurtenis geweest moet zijn en dus een Creator. Het probeert van daaruit een paar conclusies te trekken over de aard van zo'n Creator, maar daarmee bevindt het zich op, of voor sommigen al wel over de grens van het wetenschappelijk aanvaardbare. Het zegt verder helemaal niets over wie die Creator is en leidt ook op geen enkele wijze tot de persoon van Jezus of iets dergelijks.

Een islamitische, joodse, hindoestaanse of anderzins religieuze (of misschien zelfs wel a-religieuze?) wetenschapper zou net zo goed met het degeneratiemodel aan de slag kunnen. De keuze tussen het een of het ander kan niet op empirisch wetenschappelijke gronden gemaakt worden. De wetenschap heeft nu eenmaal grenzen. Zij kan bijvoorbeeld geen 'liefde' definiŽren en in een experiment vatten. De meeste mensen zullen ook niet op empirisch wetenschappelijke gronden de keus voor hun partner maken (maar je weet het natuurlijk nietÖ). Er zijn andere redenen om in dat soort zaken keuzes te maken.

Wel is het zo dat de bijbel enorm veel aanknopingspunten heeft met de degeneratie-theorie. Door de degeneratie-theorie zijn een heleboel zaken uit de bijbel gemakkelijker te begrijpen. Bijvoorbeeld dat het voor KaÔn geen enkel probleem was om met zijn zus nageslacht te krijgen, omdat deze 'oermensen' nog geen enkele erfelijke afwijkingen onder de leden hadden. Dat de leden van het menselijke ras dat tussen Adam en Noach leefde daarom ook tot wel honderden jaren oud konden worden. Dat alle dieren uit de ark van Noach 'founders' waren en er daarom daarna door inteelt veel degeneratie opgetreden moet zijn en leeftijden van mensen en dieren gaandeweg afnamen. Dat vanwege het model van de typologische differentiatie het begrijpelijk wordt dat het 'niet druk' was in de ark van Noach. Etcetera.

Wat ik hierboven doe is wetenschappelijke gegevens aan een bijbelse kapstok hangen, zoals normaal gesproken dit soort gegevens aan de evolutionistische kapstok worden gehangen. Het boek Degeneratie is echter vrij van deze dingen. Het is een wetenschappelijke benadering van het probleem van het ontstaan van het leven. Een geheel andere benadering van hetzelfde probleem is de bijbel erop nalezen. Persoonlijk ben ik de overtuiging toegedaan dat deze twee geheel verschillende benaderingswijzen naadloos op elkaar aansluiten zoals twee tunnels die van verschillende kanten van een berg gegraven worden elkaar precies in het middel ontmoeten. De bijbel vertelt daarbij dingen die wetenschappelijk nooit vast te stellen zijn en de wetenschap vertelt dingen die je in de bijbel niet vindt. Voor zover die twee elkaar (lijken te) bijten is er of iets mis met de conclusies van wetenschappelijke gegevens, ůf met de manier waarop de bijbel begrepen wordt. Maar nogmaals, dat is mijn persoonlijke overtuiging.

 

Hoe zijn de menselijke rassen ontstaan?
Door isolatie, inteelt en een beetje selectie. Een klein groepje mensen trekt weg of wordt verjaagd. De oorspronkelijke genenrijkdom die er in de gehele populatie aanwezig is, is niet (meer) bij dat kleine groepje aanwezig . Als er in dat groepje bijvoorbeeld geen genen zijn die voor krulletjes zorgen, of voor bruine ogen, dan zal het nageslacht dat ook niet meer krijgen. Het nageslacht zal in grote lijnen alleen maar die kenmerken hebben die de stichters met zich meedroegen. Als de menselijke oertypen Adam en Eva maximaal heterozygoot (lees verschillend) zijn geweest voor hun neutrale genen, dan zal in het nageslacht die oorspronkelijke heterozygose steeds verder afnemen door isolatie, inteelt en selectie, omdat er steeds meer genen homozygoot (lees gelijk) zullen worden. Mutaties kunnen vervolgens genen die nog 'aan' staan alsnog uitschakelen, of in beperkte mate 'afgeleide' varianten veroorzaken (zoals bij de bloedgroepen bijvoorbeeld) met name onder de neutrale genen.

Er zal weinig sprake van echte selectie zijn geweest bij het ontstaan van menselijke rassen, omdat de mens een super-generalist is. Dat wil zeggen, de mens is bij uitstek in staat om in allerlei omstandigheden en milieu's te leven of om zelfs de omstandigheden naar zijn hand te zetten, in plaats van dat hij er afhankelijk van is. En het zijn de omstandigheden, het milieu waar een soort in leeft, die normaal gesproken selectiedruk uitoefent. Bovendien is de mens normaal gesproken geen prooi voor wilde dieren, die in de natuur juist voor sterke selectiedruk zorgen. Selectie bij de mens zal vooral plaatsvinden of gevonden hebben bij het overleven van ziektes en veel minder bij het overleven in een bepaald milieu. De verschillen tussen de rassen zullen daarom vooral ontstaan zijn door kleine groepjes stichters waaruit hele volkstammen zijn gekomen, die daarmee allemaal de kenmerken van de stichters hebben.

 

Hoe ziet de menselijke toekomst eruit?
De menselijke populatie is enorm groot. De grenzen vervagen. Er treedt steeds meer rasvermenging op. Dat zijn gunstige voorwaarden om een populatie genetisch 'gezond' te houden. Degeneratie zal daarom niet erg hard gaan. Wel zullen er steeds meer erfelijke afwijkingen voorkomen in specifieke groepjes mensen. De medische wetenschap zal haar handen er vol aan hebben. Echt doemdenken treedt op als je beseft dat dankzij de medische wetenschap mensen met erfelijke afwijkingen hun beschadigde genen door kunnen geven aan hun nageslacht en de medische wetenschap op die manier dus bijdraagt aan de degeneratie van ons nageslacht. Een voor de hand liggende ontwikkeling zal daarom zijn dat de medische wetenschap steeds meer wil gaan bepalen welke erfelijke afwijkingen nog wel 'recht' hebben om 'geboren' te worden en welke niet. De roep om genetische manipulatie bij mensen zal steeds sterker worden. En als tegenhanger daarvan zullen er ook steeds meer stemmen opgaan om 'de natuur haar eigen gang te laten gaan'. Persoonlijk ben ik daar nog niet uit, maar ik heb er wel de volgende twee gedachten over:

  1. De waarde van een mens hangt niet af van hoe genetisch volmaakt hij of zij is.
  2. Als de mens zelf dit soort dingen allemaal wil regelen wordt hij er ook verantwoordelijk voor. Hij wordt daarmee dus verantwoordelijk voor leven en dood. De mens (arts?) beslist wie mag leven en wie moet sterven. Een kwalijke zaak!

 

De fossielen bewijzen dat er evolutie geweest is, geen degeneratie.
Over fossielen zegt de degeneratietheorie (nog) niet zoveel. Als macro-evolutie een genetische onmogelijkheid is, zoals de degeneratie-theorie zegt, dan zou het wel eens zo kunnen zijn dat de geologische kolom, die vooral samengesteld is aan de hand van het evolutionistische ontwikkelingsidee, aan een herinterpretatie toe is.

Omdat zowel het boek Degeneratie als deze site (te) weinig informatie biedt betreffende de fossielen, hier een link naar een pagina op de server van de universiteit van CaliforniŽ, met daar een verzameling citaten - betreffende de discontinuiteit in de geologische kolom - van autoriteiten op dit gebied. (Het is helaas in het engels).

Natural discontinuities and the fossil record

© 2001 - 2018 CMS: 123CMS.nl,  datum laatste wijziging: 14-12-2005 °