
|
|
de Rörsch-discussie:
Prof. A. Rörsch schreef een ingezonden brief
in BIOnieuws; was opponent tijdens een forumdiscussie;
correspondeerde uitgebreid; zond een 'laatste commentaar'
in naar BIOnieuws. Dit is het relaas.
Alleen de ter zake doende elementen zijn gebruikt.
|

INHOUD
Dit is de tekst van de eerste lezing van prof. Rörsch
tijdens de forum-discussie van Ichthus te Rotterdam, waarin hij
een inleiding houdt op de evolutie-theorie, wat met name gaat
over de evolutie van enzymen/eiwitten.
Entropie
Enzym-evolutie

Dit boek, (The origin of species) staat als een
soort relequi in mijn boekenkast. Ik moet bekennen, ik heb het
niet gelezen. Op het moment dat ik mij voor evolutietheorie begon
te interesseren, begin jaren 70, was er al een veel geavanceerdere
literatuur over evolutie beschikbaar, dat wil zeggen hoe complexe
structuren, uit eenvoudiger kunnen, en onvermijdelijk zullen ontstaan,
als er variatie is, met daarop volgende selectie is.
Ten grondslag aan deze theorie ligt, wat we nu noemen, de complexiteitstheorie,
daarvoor ook wel chaos- of catastrofe theorie genoemd, omdat in
het hedendaagse vakjargon, het begrip variatie is vervangen door
CHAOS.
De naam Chaos-theorie is echter verlaten, omdat er geen sprake
is van echte chaos, maar van zogenaamde DETERMINISTISCHE chaos.
Dat is een ogenschijnlijk chaotisch verschijnsel dat optreedt,
onder invloed van in verschillende richtingen werkende krachten.
Verandert één van die krachten een beetje, dan kan er volgens
bepaalde wiskundige wetmatigheden, orde ontstaan.
Die wiskundige wetmatigheden zijn overigens ver
voor Darwin al beschreven, o.a. door Poincare, 1800, met differentiaal
vergelijkingen. Deze waren echter onoplosbaar met de bestaande
wiskundige technieken. Maar deze kunnen nu wel worden aangepakt,
dankzij de ontwikkeling van de moderne rekentuigen. Het is dus
niet verwonderlijk dat deze, wiskundige evolutietheorie in de
jaren '70, met het beschikbaar komen van de geavanceerde rekentuigen,
in een stroomversnelling kwam.
Mede omdat de moleculair biologen gelijktijdig de principes van
zelf-organisatie van materie hadden ontdekt.
In de eerste plaats de Nobelprijswinnaar Manfred Eigen, die de
zelforganisatie-vermogens van biologische macromoleculen beschreef.
(The hypercycle).
Entropie
Vrijwel gelijktijdig verscheen het boek van de Nobelprijswinnaar
Prigogine (Self-organization in non-equilibrium-systems). Wat
zijn de principes? Wel, het valt te berekenen, dat processen die
zich ver van het thermodynamisch evenwicht bevinden, waarbij,
door energietoevoer, lage Entropie wordt vermenigvuldigd, het
ontstaan van orde uit deterministische chaos onvermijdelijk is.
Het biologisch systeem bevindt zich per definitie ver van het
thermodynamisch evenwicht. We zien bij de deling van elke levende
cel, de lage entropie, de hoge orde daarvan, vermenigvuldigd.
Entropie
De chaos is de variatie; nieuwe orde ontstaat door
vermenigvuldiging van die variatie, gevolgd door selectie. Dat
lijkt op Darwin, maar met dit verschil dat het zelf-organiserend
vermogen van de materie mede in aanmerking wordt genomen. Dat
werkt als een interne selectiekracht, die in de materie is ingebouwd.
Zoals uit een verzadigde zoutoplossing, prachtig geordende zoutkristallen
ontstaan.
Ik geef wat meer recente literatuur, jaren '90,
waarin de wiskundige wetmatigheden ook op biologische systemen
worden toegepast.
Er blijft echter veel te verklaren over, hoe de
specifieke complexe biologische organisatie, spontaan ontstaan
kan zijn. Die veronderstelling was van Darwin en zijn tijdgenoot
Cuvier, de paleontoloog afkomstig, en gebaseerd op de vondst van
fossielen. Vergelijkend morfologisch onderzoek van de resten van
uitgestorven organismen met hedendaagse, leidde tot de suggestie
dat deze uitgestorvenen en de hedendaagse, gemeenschappelijke
voorouders zouden hebben.
Dat model past in de hedendaagse complexiteitstheorie: stapsgewijs
komt een complex systeem, via tussentijden van deterministische
chaos (=variatie) tot steeds ingewikkelder organisatievormen.
enzymevolutie
De veronderstelde familieverwantschap tussen alle levende organismen,
werd in de jaren '70 krachtig ondersteund door vergelijkend onderzoek
van de structuur van enzymen met de zelfde functie in verschillende
organismen.
Om dit duidelijk te maken moet ik wat dieper ingaan op de relatie
tussen structuur en functie van een enzym.
Vrijwel alle chemische omzettingen in levende organismen worden
door enzymen, teweeg gebracht. Vele enzymen treffen we altijd
in alle organismen aan. Zij verzorgen dan een zelfde soort chemische
omzetting. Toch verschillen hun structuren wel wat. Hoe dat kan,
daarvoor moeten we dus de relatie structuurfunctie verder uitwerken.
Enzymen zijn eiwitten, dat zijn lange ketens van
aminozuren. Alle eiwitten bevatten steeds de zelfde 20 verschillende
aminozuren.
De specifieke volgorde van die aminozuren bepaalt de structuur
en daarmee de functie van het enzym.
Echter, vele aminozuren, ca. 50%, kunnen in een enzym door een
ander vervangen worden, zonder dat de functie verandert. Hoe komt
dat?
Wel, omdat de functie, dat is een specifieke chemische omzetting,
maar door een zeer beperkt aantal aminozuren, wordt bepaald. Het
deel van het enzym waar die reactie zich afspeelt, noemt men diens
lactive sitel.
Soms zijn slechts twee, hoogstens drie, aminozuren in het enzym
bij de omzetting betrokken, b.v. in een ester-afbrekend enzym,
histidine, serine en asparagine.
Maar die drie moeten wel in een specifieke ruimtelijke configuratie
zijn geplaatst. (plaatje).
Daarvoor zorgt de aminozuur-volgorde in de rest
van het enzym, maar die volgorde hoeft niet heel specifiek te
zijn. Menig aminozuur kan door een ander worden vervangen, zonder
de ruimtelijke structuur aan te passen.
Hoe komt dat?
Omdat de 20 aminozuren in een beperkt aantal klassen, 8, kunnen
worden ingedeeld. Bijvoorbeeld de neutrale, de polaire, de basische,
de zuren. Sommige klassen bestaan uit slechts éen aminozuur, b.v.
proline en cysteine, omdat ze een heel bijzondere ruimtelijke
configuratie hebben.
Maar binnen een klasse, kan elk aminozuur door een
ander van zijn eigen klasse, worden vervangen. Bijvoorbeeld leucine,
valine, threonine zijn vrijwel volledig uitwisselbaar.
Wanneer kan nu aan een specif ieke aminozuurvolgorde een heel
specifieke functie worden toegekend?
Om inzicht daarin te krijgen gebruikt men vaak de metafoor van
het taal-alfabet: letters in een bepaalde volgorde geplaatst,
moeten een zinvolle betekenis hebben.
Ik geef een voorbeeld: Is dit in het Nederlands
een zinvolle zin?

Op het eerste gezicht lijkt dit niet zo te zijn.
Maar dan roep ik in herinnering dat eigenlijk alleen overwegend
de 'active site' zinvolle betekenis moet hebben. In deze lettervolgorde
zit wel degelijk iets zinvols, als we deze volgorde een beetje
gaan buigen, zodat de betekenisvolle letters bij elkaar komen.
Hier staat bijvoorbeeld: Bind ester.

Die buiging komt tot stand, doordat de lettergrepen
BIND, ES en TER door Cysteine-aminozuren worden geflankeerd. Die
vormen namelijk spontaan bruggen tussen de ketens.
Doet de rest van de volgorde van de aminozuren er weinig toe?
Inderdaad weinig, want in de rest van de structuur kunnen we heel
veel aminozuren door andere vervangen, volgens eerder genoemde
wetmatigheid, als de vervangers maar tot dezelfde klasse behoren.
Vandaar dat enzymen met dezelfde functie, in verschillende
organismen, zeer verschillende aminozuurvolgordes kunnen hebben.
Die volgordes is men gaan vergelijken. In 1970 verscheen de eerste
atlas van toen bekende aminozuurvolgordes.
Bij vergelijking van de aminozuurvolgorden, komt men tot een verrassende
conclusie. Organismen die de paleontologen veronderstellen een
gemeenschappelijke vooronder te hebben, vertonen weinig verschil
in aminozuurvolgorde. Minder verwante organismen, grotere verschillen.
En de grootte van het verschil is evenredig met de veronderstelde
afstand in verwantschap.
Men maakt van de aminozuurvolgorde verschillen een
matrix en kan zo meer of mindere verwantschap vaststellen. En
als het ware een stamboom opstellen, hoe langzamerhand deze veranderingen
geďntroduceerd kunnen zijn.
Maakt men zo'n stamboom, bijvoorbeeld voor cytochroom C, dan leidt
men daaruit de volgende afstammingsrelatie tussen de organismen
waarin het voorkomt, af.
Speelt men het zelfde spelletje, met enige andere
honderden enzymen, dan wordt steeds de zelfde conclusie bereikt.
Dit maakt welhaast de conclusie onontkoombaar, dat alle levende
organismen een gemeenschappelijke vooronder moeten hebben. Het
'overall' plaatje van die stamboom geeft dit aan, voor de hele
levende natuur.
Nogmaals een toelichting op het beeld. Voor elk
enzym was in het oerorganisme een oerstructuur aanwezig. In dit
enzym werden bij elke generatie bepaalde aminozuren vervangen,
die niet essentieel voor de functie zijn. Bij vertakking, de splitsing
in verschillende soorten, wordt in elke nieuwe soort een specifieke
volgorde gefixeerd. Het proces gaat stapsgewijs door, tot tenslotte
in alle hedendaagse organismen een behoorlijke variabiliteit wordt
waargenomen. Maar die variabiliteit is afhankelijk van het tijdstip
waarop die splitsing heeft plaats gevonden.
We kunnen ook nog iets zeggen over dat tijdstip.
Als we voor de snelheid van vervanging bij elke generatie een
constante waarde veronderstellen, kan worden teruggerekend wanneer
die splitsing moet hebben plaats gevonden.
Zie hier enige voorbeelden uit de atlas voor een aantal hormonen
in hogere organismen.
Het is zeer de vraag of die snelheid wel zo constant veronderstelt
mag worden. Elk enzym verandert zijn structuur met een eigen snelheid.
Dat hangt samen met de tolerantie aan vervangingen die is toegestaan.
Neemt men voor elk enzym een eigen constantie vervangingssnelheid
aan, dan komt er toch een consistent beeld uit voor de tijdschaal
van het hele proces. Namelijk dat 600 miljoen jaar geleden de
splitsing in dierenrijk en plantenrijk heeft plaatsgevonden, 2
miljard jaar geleden die in pro- eu-caryoten en archaee, en dat
de structuur evolutie, daaraan nog zo'n 1 tot 2 miljard jaar aan
vooraf zou gegaan.
Voor alle duidelijkheid, de tolerante vervangingen
die hier zijn genoemd, hebben op zich zelf geen evolutionaire
betekenis, omdat ze merendeels buiten de lactive sitel plaats
vinden. zij zijn slechts de SPOREN die bij de soortvorming zijn
achtergelaten. En die sporen worden gebruikt om de veronderstelling
te onderbouwen dat alle organismen uit een oervorm zijn voortgekomen.
De werkelijke evolutie van enzymen, dat is de vorming van 'active
sites'. is een ander verhaal, waar ik in verband met de tijd nu
nu op in kan gaan, maar moet volstaan met de opmerking dat het
een tamelijk simpel proces is, van spontane vouwing van een keten
rond een zeer beperkt aantal essentiele aminozuren die de active
site vormen, zoals weergegeven in een eerder plaatje. Ik heb daarover
wat berekeningen uitgevoerd, die misschien later nog aan de orde
kunnen komen.
Enzym-evolutie