
|
|
de Rörsch-discussie:
Prof. A. Rörsch schreef een ingezonden brief
in BIOnieuws; was opponent tijdens een forumdiscussie;
correspondeerde uitgebreid; zond een 'laatste commentaar'
in naar BIOnieuws. Dit is het relaas.
Alleen de ter zake doende elementen zijn gebruikt.
|

INHOUD
Prof. Rörsch, geďnspireerd door de discussie, is aan het rekenen
gegaan met computermodellen,
die hij bijgevoegd heeft en becommentarieerd.
De Afrekening
Enzym-evolutie
Wetenschap
& Religie

Leiden, 11 maart 1998
Waarde Scheele,
Hartelijk dank voor je brief van 5 maart, die ik met waardering
heb gelezen. Vanwaar die waardering, zal ik later toelichten.
[Ik stel, als oudere, voor dat we tutoyeren. Veel minder enthousiast
ben ik over gebruik van voornamen. Maar ik heb er ook geen probleem
mee, als je stijl in deze van de mijne afwijkt]
De twee bijdragen aan de discussieavond mogen op internet. Het
is: wat ik heb gezegd, of wat ik zou hebben willen zeggen.
De afrekening
Ik moet bekennen dat ik pas nu in je boek, de bijlage 'Quick Tour'
heb ontdekt, waarin je kort en overzichtelijk je argumenten presenteert.
Die argumenten wil ik stuk voor stuk van commentaar voorzien.
Met het voornemen dit te publiceren. Maar niet voordat ik je dan
andermaal de gelegenheid heb gegeven om daarop te reageren.
Conclusies
op kritiek
Quick
Tour
Dat commentaar laat nog twee weken op zich wachten. Ik ben momenteel
nog even druk bezig met berekeningen over veronderstelde snelheid
van enzym-evolutie (van histon tot cytochroom C), waarop ik een
groot deel van mijn commentaar wil stoelen.
Daarom ga ik nu ook nog niet in op het commentaar in je brief.
Daar kom ik later nog wel op terug.
Maar nu eerst de reden voor mijn waardering.
Ik verwijt je (in principe) dat je misleidt; experimentele resultaten
verkeerd interpreteert. Dat moet ik dus aantonen. Maar de interpretaties
die je brengt, stemmen wel degelijk tot nadenken. Critische vragen
over een theorie, moeten altijd gesteld mogen worden. De vragen,
dan wel interpretaties, die je hebt opgeworpen hebben mij tot
nader onderzoek van het één en ander gewogen.
Maar een serieus probleem in onze discussie is dat we heel verschillende
uitgangspunten hebben, waarbij ik je verwijt dat je
- chaostheorie negeert, daardoor je de thermodynamische grondslag,
mijns inziens, verkeerd interpreteert,
- de veronderstelde fylogenie van eiwitten niet werkelijk hebt
bekeken,
- het verschil tussen micro- en macro-evolutie overdrijft.
Ad a. Ik vond in mijn boekenkast een goed populair boek hierover.
"Energie en entropie; de tweede hoofdwet van de thermodynamica"
van P.W. Atkins, Wetenschappelijke bibliotheek van Natuur en Techniek,
1988. Hierin wordt ook uitvoerig ingegaan op het verschijnen van
complexe orde (uit chaos, H8), met computormodellen voor evolutie
in de levende wereld.
Ad b. In de-laatste Natuur en Techniek (3/1998) wordt de publicatie
in de Wetenschappelijke bibliotheek aangekondigd van een boek
'Evolutiepatronen'. Ik heb het nog niet gezien. Volgens de aankondiging
wordt vooral op de veronderstelde moleculaire fylogenie ingegaan.
Ad c. Vanuit moleculair standpunt vormt de hele levende wereld
éen groot continium. Indeling in soorten is mensenwerk geweest
(Begonnen met Linnaeus). Berust op overdrijving van triviale eigenschappen,
zoals: niet met elkaar kunnen kruisen. De moderne biologie gebruikt
een heel ander criterium, maar, zulks moet ook worden gezegd,
met als basis de veronderstelde fylogenie.
Of je dat wel of niet aanvaardt, doet niet zo heel veel ter zake.
Van belang is vooral in het achterhoofd te houden: indeling in
soorten is mensenwerk, gebaseerd op een door mensen gemaakte selectie
van waargenomen verschillen tussen organismen.
Het mopje van de olifant met rode sokken ontgaat mij.
Enzym-evolutie
Goeie vraag: kunnen we op grond van sequentie-vergelijking discrimineren
tussen afstammingsmodel en parallel scheppingsmodel?
Het antwoord is ja, mits meerdere enzymen in aanmerking worden
genomen.
Ik heb er een computermodel voor gemaakt om dat aan te tonen en
het resultaat zal ik je binnenkort toesturen.
Vast in het kort het volgende.
In een enzym kan ca. 50 % van AA's (aminozuren) door een verwant
vervangen worden.
Mijn model bestaat uit vijf enzymen die in 16 organismen voorkomen.
Bij parallele evolutie, dat wil zeggen er bestaat tussen de 16
geen fylogenetische verwantschap, als die 16 organismen gelijktijdig
zijn geschapen, jouw oerorganismen, met vijf enzymen, waarin de
AAvolgorde voor elk enzym verschilt, maar voor een specifiek enzym
deze gelijk is aan die in alle 16 oer organismen, dan zal in de
loop van de tijd, ad random vervanging plaats vinden.
Vergelijken we na verloop van tijd voor elk enzym in een organisme,
met het overeenkomstige in alle andere 15, dan zullen er verschillen
zijn opgetreden. Maar de verdeling van de verschillen is random.
Veronderstel je desalniettemin een fylogenetische verwantschap,
dan zou je voor elk enzym afzonderlijk toch een stamboom kunnen
opstellen. Maar voor elk van de enzymen zal de stamboom verschillend
zijn en niet kloppen met de hypothetische paleontogische stamboom.
Nemen we wel een fylogenetische relatie aan, dan beginnen we in
de oertijd met één organisme met 5 verschillende enzymen. In een
bepaald enzym vinden dan vervangingen plaats, zeg in de eerste
stap 5.
Ontstaan er dan twee species, b.v. genummerd 1 en 9, die gescheiden
verder ontwikkelen, dan beginnen die met het zelfde enzym, maar
in elk species, vinden andere vervangen plaats. Na een tijdsinterval
verschillen de enzymen, zeg 10 AA's. Dan treed opnieuw een splitsing
op: er ontstaan uit 1: vervolg 1 en 5; uit 9, vervolg 9 en 13.
vervolg 1 en 5 verschillen niet (maar wel met de oorspronkelijke
1, zeg weer 10. Vervolg 9 en 13 verschillen niet (maar wel met
de oospronkelijke 9, zeg 10 andderen. 1 en 5 verschillen met 9
en 13 ca. 20 aminzoren Maar 1 en 5 alsmede ook 9 en 13 gaan verder
vervangen, zeg elk weer 10.
De verschillen tussen 1 en 5 zijn tenminste 10, tussen 9 en 13
tenminste 10, maar het verschil tussen 1&5 en 8&13 is
tenminste 20.
Het proces zet zich voort.
1 geeft vervolg 1 + 3: 5 geeft vervolg 5 en 7 9 geeft vervolg
9 +11: 13 geeft vervolg 13 + 15 De nieuw gevormde paren verschillen
aanvankelijk niet, maar na enige tijd wel. Paren 1+3, 5+7 9+11
en 13+15 onderling zeg 10 maar paar 1+3 met paar 5+7 minstens
20
en paar 9+11 met paar 13+15 ook minstens 20 echter de paren 1+3
+ 5+7 met de paren 9+11 + 13 + 15 minstens 30.
Het proces zet zicht voort:
1 geeft vervolg 1 en 2: 3 geeft vervolg 3 en 4 5 geeft vervolg
5 en 6: 7 geeft vervolg 7 en 8 9 geeft vervolg 9 en 10:11 geeft
vervolg 11 en 12 13 geeft vervolg 13 en 14: 15 geeft vervolg 15
en 16 Elk verandert daarna weer een aantal.
Het verschil tussen de laatst gevormde paren zal steeds het kleinst
zijn, b.v. 10
De viertallen die eerder een gezamelijke vooronder hadden, vertonen
een groter verschil, b.v. 20
De 8tallen die eerder een gezamelijke voorouder hadden, vertonen
een nog groter verschil, b.v. 40.
De verschillenverdeling is nu, in tegenstelling tot bij paralelle
evolutie, niet random meer.
Op grond van die verschillen kan men dus een hypothetische stamboom
opstellen.
Voor de eerste enzymen, waarvoor die stambomen werden opgesteld,
bleken deze aardig met elkaar te kloppen, čn met de paleontologische
afstamming. Maar niet helemaal. Oorzaak: in de paleontologische
afstamming zaten fouten.
Verschillen tussen de stambomen voor enzymen worden veroorzaakt
door verschil in vervangingssnelheid die mogelijk is, en deze
heeft. een directe relatie tot de specifieke tolerantie voor vervanging
die elk eiwit vertoont. Histon heeft een buitengewoon geringe
tolerantie, verandert weinig, cytochroom C een middelmatige tolerantie.
(zie pagina uit de enzym-atlas).
Vergelijkt men de stambomen van enige honderden enzymen, dan komen
die grosso modo toch heel goed met elkaar overeen, čn met de paleontologische
stamboom.
We kunnen met enzymen echter veel verder teruggaan in de stamboom.
Met cytochroom C tot en met bacterien. De onzekerheden worden
dan echter wel groter, omdat de vervangingssnelheid, die direct
samenhangt met de generatietijd (verg. E.coli = 20 min; muis=6
maanden; mens =15 jaar.) dan verandert. We weten niets van de
generatietijd van oerorganismen. Voor de voorouder van E.coli
was die misschien ook wel 10tallen jaren.
De afstamming als zodanig, staat daarmede echter niet ter discussie,
(omdat de onderlinge verschillen significant blijven), doch wel
de tijdschaal waarop de speciatieknooppunten moeten worden gelegd.
Hierop is de hypothese van éen enkel oer-organisme gebaseerd.
Over een week stuur ik je hierover een beter gestructureerd verhaal,
dat deel zal uitmaken van mijn afscheidscollege. Op voorhand stuur
ik je vast wat tabellen, de resultaten van de modelberekeningen
die ik heb gemaakt.
<De tabellen en uitleg erbij zijn verder achterwege
gelaten. De conclusies staan hier wel. PMS)>
Tabel V geeft de matrix als er een fylogenetische relatie bestaat
tussen de 16 organismen. Er was dan voor elk enzym in een oerorganisme
een oerstructuur die in de loop van de tijd volgens de afstammingslijnen
zijn veranderd.
Tabel V laat een duidelijk patroon zie, en wel voor elk van de
enzymen het zelfde.
Nauw verwante organismen verschillen weinig, ver verwante veel.
De tabellen-VII en VIII geven het eindresultaat. Hierin is voor
elk enzym in elk organisme bepaald, waarmee het het minste verschilt
en in welk ander organisme dan dat eiwit met het kleinste verschil
voorkomt.
Parallele evolutie (Tabel VII) toont een volstrekt random verdeling.
Bij de veronderstelde fylogenetische relatie, blijkt duidelijk
dat 1 het nauwst met 2, 3 met 4, 5 met 6 etc is verwant. (Er zijn
twee kleine uitschieters).
Computermodel
Dit is dus precies het patroon dat we in de enzym-atlas aantreffen,
voor honderden enzymen, hetgeen eenduidig op een fylogenetische
relatie tussen alle organismen wijst.
Honderden
enzymen?
Ik heb de laatste drie weken op de computer miljoenen enzymen
laten evolueren. (Door jouw betogen gestimuleerd!). En kom daarbij
tot een aantal verrassende conclusies. De snelheid waarmee een
z.g.n primordial (oer-) enzym wordt gevormd, is verrassend groot.
Maar evolutie naar een ideaal enzym dat optimal functioneert,
verloopt zeer traag, en gaat met heel veel degeneratie gepaard.
Per 100 vervangingen is 80-90 'disadvantagel (dodelijk, degeneratief)
10-20 procent 'neutral' (verantwoordelijk voor de vervangingen
die we in eiwitten waarnemen), slechts van 0.1 tot 1% van de vervangingen
mag verwacht worden dat ze 'advantage' zijn. Vandaar mijn stelling:
Je observatie over de sterke tendens naar degeneratie is juist,
maar volstrekt niet in tegenspraak met evolutieprincipes.
Wetenschap & religie
Gezien het grote aantal 'doden' dat met evolutie gepaard gaat,
heb ik als titel voor mijn afscheidscollege bedacht: 'The gods
need to have their numbers' (boek van H Lampo), m.a.w. er moet
veel geofferd worden om iets gunstig(ers) te bereiken. Daarin
leg ik iets van mijn appreciatie voor metafysische benaderingen.
Maar ik kan onmogelijk in een goedertierende god geloven. De Griekse
en Maya goden met al hun onhebbelijkheden spreken mij meer aan.
Wetenschap
& religie
Met andere vragen, kun je niet beter eens bij mij langs komen
in Leiden?
Vriendelijke groeten,
A. Rörsch
ATLAS OF PROTEIN SEQUENCE AND STRUCTURE 1976
Table 4
Rates of Mutation Acceptance
| Protein |
PAMs per 100
Million Years |
| Amyioid A |
48 |
| Lmmunoglobulin kappa chain C region |
39 |
| Kappa casein |
34 |
| Immunoglobulin lambda chain C region |
30 |
| Immunoglobulin gamma chain C region |
30 |
| Lutropin beta chain |
29 |
| Pancreatic ribonuciease |
28 |
| Lactalbumin |
27 |
| Somatotropin |
25 |
| Pancreatic secretory trypsin inhibitor |
21 |
| Lutropin alpha chain |
21 |
| Serum albumin |
19 |
| Panereatic hormone |
17 |
| Prolactin |
1.5 |
| Hemoglobin alpha chain |
14 |
| Hemoglobin beta chain |
14 |
| Myoglobin |
11 |
| Animal lysozyme |
10 |
| Lipopotropin beta |
10 |
| Gastrin |
10 |
| Neurophysin |
8.5 |
| Myeiin basic protein |
7.3 |
| Parathyrin |
7.2 |
| Thyrotropin beta chain |
6.8 |
| Melanotropin beta |
6.7 |
| Basic protease inhibitor |
6.4 |
| Parvalbumin |
5.4 |
| Trypsinogen |
5.1 |
| Cytochrome b5 |
3.9 |
| lnsulin (most mammalian orders) |
3.5 |
| Plastocyanin |
3.4 |
| Triosephosphate isomerase |
2.8 |
| Corticotropin |
2.4 |
| Glyceraldehyde 3-P04 dehydrogenase |
2.2 |
| Cytochrome c |
2.1 |
| Plant ferredoxin |
1.8 |
| Collagen (excluding nonrepetitive ends) |
1.7 |
| Glucagon |
1.2 |
| Glutamate dehydrogenase |
0.90 |
| Histone H2A |
0.50 |
| Histone H3 |
0.12 |
| Histone H4 |
0.09 |
Commentaar: