
Eindhoven, 19-03-98
Beste prof. Rörsch,
Bijgaand een heleboel commentaar. Allereerst naar aanleiding
van de tekst van de 'aanval' op het forum in Rotterdam. Daarna
over het ontstaan van eiwitten uit primordial versies.
Reactie op de tekst van de lezing
tijdens het forum in Rotterdam
OVER CYTOCHROME C
Er zijn
aminozuurvervangingen mogelijk.
Je schrijft:
Hij vervalst zelfs concrete gegevens over cytochroom C. Er
zijn wčl zeer veel verschillende aminozuurvervangingen in dit
enzym mogelijk, zonder dat dit de activiteit aantast.
Ik schrijf in Degeneratie:
Een interessante vraag is nu: is cytochrome c een van die eiwitten
die geen enkele verandering toelaten? De enige manier
om dat echt 100% zeker te weten zou zijn: elke mogelijkheid
uitproberen binnen elke soort. Dat stuit op praktische problemen.
Wat echter wél van cytochroom c gezegd kan worden is, dat (ook
al zou een enkele aminozuurwijziging misschien mogelijk zijn)
het niet dwars door alle soorten heen geëvolueerd kan zijn en
in elke soort zijn 'eigen' versie achtergelaten heeft.
Degeneratie, blz. 95. (cursivering toegevoegd)
Óf de niet-verwante soorten hebben geen gemeenschappelijke
afstamming en elke soort kreeg zo zijn eigen variant van cytochroom
c, die daarna theoretisch (of door genetische manipulatie)
zou kunnen veranderen. Óf cytochroom c staat, in combinatie
met de eiwitten waar het mee reageert, geen mutaties toe, wat
betekent dat de niet-verwante soorten geen gemeenschappelijke
afstamming hebben.
Degeneratie, blz. 96. (cursivering toegevoegd)
Met andere woorden: ik zég niet dat cytochroom c geen vervangingen
toestaat! In de tweede tekst is het of dit, of dat.
Ik maak de keus daar niet. Ik zeg zelfs dat het misschien wél
zou kunnen. Het argument waar het hier vrijwel alleen maar om
draait is dat cytochroom c verschilt tussen niet-verwante
soorten. En dat het een voorbarige conclusie is om te zeggen:
cytochroom c verschilt tussen niet-verwante soorten, dus al
die aminozuursubstituties zijn neutraal en dus mogelijk. Ik geef
er vervolgens het argument bij, waarom dat niet zo zou
zijn. Dat argument (+citaat) is ontleend aan Biochemistry van
Voet. Het staat voor mij dus geenszins vast dat het om neutrale
aminozuursubstituties gaat. Mijn berekening laat zien dat ik dat
zelfs zeer onwaarschijnlijk acht.
Eigenlijk kom ik basis daarvan tot de conclusie dat cytochroom
c meestal niet uitwisselbaar zal zijn tussen niet-verwante soorten.
Als echter aangetoond kan worden (of misschien al aangetoond is?!)
dat cytochroom c van verschillende soorten in vivo wel uitwisselbaar
is, dan schrap ik het voorbeeld uit mijn boek, omdat het daarmee
een fout voorbeeld geworden zou zijn.
Dat betekent dan echter in het geheel nog niet dat de argumentatie
zelf vervalt. Het zou alleen betekenen dat cytochrome c niet langer
het juiste voorbeeld is.
Electronentransport
Je schrijft:
De opmerking dat de 'active site' wel heel eenvoudig moet zijn,
omdat het zo iets simpels als een electron overdraagt, is onverantwoord.
Vrije electronen komen in een levende cel niet voor; wel grotere
moleculen die een overschot aan electronen hebben; die noemt men
radicalen.
Voet schrijft in Biochemistry:
Cytochrome c occurs in the mitochondrion as part of the electron-transport
chain, a complex metabolic system that functions in the
terminal oxidation of nutrients to produce adenosine triphosphate
(ATP). The role of cytochrome c is to transfer electrons between
an enzyme complex known as cytochrome c reductase and
one called cytochrome c oxidase.
Biochemistry, Voet & Voet, blz. 125
Zelf schrijf ik:
Citochroom c is een klein eiwit van 104 aminozuren dat een
rol speelt in electronentransport in mitochodrieën.
Degeneratie, blz. 95
Dit is zelfs een vrij letterlijke vertaling van wat Voet in Biochemistry
zegt.
En verder schrijf ik:
Het punt met de verschillende versies van cytochrome c is dat
ze allemaal hetzelfde doen: electronen vervoeren.
Degeneratie, blz. 95
Met andere woorden hier gaat het ronduit om een valse beschuldiging.
Het woord 'active site' bezig ik niet, laat staan dat deze simpel
zou zijn. Over vrije electronen spreekt ik nergens en het
is daarentegen volledig correct dat ik beweer dat cytochroom c
een rol speelt in electronen-transport.
Fylogenetische relatie
Je schrijft:
De verschillen in aminozuurvolgorden in cytochroom C in uiteenlopende
soorten zijn wel degelijk met elkaar te correleren als men wel
een fylogenetische relatie tussen de soorten veronderstelt. En
zelfs de snelheid waarmee die vervanging heeft plaatsgevonden
is goed in overeenstemming met de veronderstelde evolutie van
soorten.
Ik heb nergens beweerd dat ze niet in een evolutiemodel te passen
zouden zijn. Daar gaat het helemaal niet over in dat stukje. De
vraag die daar centraal staat is of genen/eiwitten verschillen
tussen niet-verwante soorten. Het antwoord op die vraag is eenvoudigweg
JA. Op pagina 94 wordt dit JA, gebruikt in combinatie met
een aantal andere gegevens, om te concluderen dat niet-verwante
soorten geen gemeenschappelijke voorouders gehad kunnen hebben.
Met andere woorden: ik ben het helemaal met bovenstaande uitspraak
eens en begrijp dan ook niet waarom het tegen mij gebruikt wordt!
Het tot tweemaal voorkomende "verondersteld" verheugd
mij verder enorm.
Mijn conclusie ten aanzien van je opmerkingen over cytochroom
c is dan ook dat ik ze onterecht vind, met dit ene voorbehoud:
als bewezen is dat cytochroom c uitwisselbaar is tussen
niet-verwante soorten.
Ik denk daar als volgt over. Ik doe zelf geen onderzoek. Ik baseer
mijn argumenten op gegevens van anderen. Soms trek ik daar wel
eens conclusies uit die mensen zelf niet (geheel) trekken. Als
de gegevens fout zijn, of andere gegevens aantonen dat mijn conclusies
toch onjuist zijn, dan neem ik terug wat ik gezegd heb. Het is
nog niet voldoende als mijn opvatting ingaat tegen een gangbare
mening.
Over
cytochroom c
OVER ALLEEN DEGENERATIE?
Je schreef:
De computerproef die Scheele heeft uitgevoerd om aan te tonen
dat enzymen (genen) uitsluitend degeneratie kunnen vertonen, is
niet correct, omdat hij de selectiedruk negeert, die voortdurend
(intern) wordt uitgeoefend door de interactie van het enzym met
zijn substraat.
Dit is weer een verkeerde lezing van de tekst. Die berekening
was juist bedoeld om te laten zien wat er gebeurd zonder
selectiedruk! Het moest juist aantonen dat selectiedruk een
absolute voorwaarde is. Ik onderstreep het belang van
selectie alleen maar en dan moet je mij niet gaan verwijten dat
ik er geen rekening mee houd!
Verder leg ik in het hoofdstuk duidelijk uit hoe een gen van de
ene functionele top naar de ander zou kunnen muteren, onder selectiedruk.
Alleen
degeneratie?
OVER ENTROPIE
Je schrijft:
Scheele vervalst veel meer, vooral door waarnemingen die van
essentiële betekenis zijn, niet te noemen.
Op pag. 47 e.v. voert hij een balletjes experiment op, waaruit
zou blijken dat orde slechts in chaos kan overgaan, en niet omgekeerd.
En even verder
In hoofdstuk 5 haalt hij de natuurwet aan dat entropie slechts
kan toenemen.
Weer een verkeerde lezing. Ik beweer niet "dat entropie
slechts kan toenemen". Het woordje "slechts"
is een subtiele maar misleidende toevoeging, die ik niet bezig.
Daardoor wordt het wel erg makkelijk om mij van vervalsingen te
beschuldigen!
Verder nog een paar herhalingen van zaken over entropie waarvan
ik er ook enkele tijdens het forum genoemd heb:
- De discussie over entropie zelf is te vaag en algemeen om
er definitieve conclusies over te trekken ten aanzien van de
mogelijkheid of onmogelijkheid van macro-evolutie.
- Die discussie ben ik dus ook niet begonnen in mijn boek. Ik
heb in hoofdstuk 5 alleen in grote lijnen geschetst wat er onder
het begrip Entropie verstaan kan worden. Dit om het karakter
'Koning Entropie' een gezicht te geven. En that's it. De berekeningen
en argumenten van hoofdstuk 6 staan verder op zichzelf.
- Het ontstaan van kristallen bewijst op geen enkele wijze het
spontaan ontstaan van leven.
- Dat in een open systeem waaraan energie toegevoegd wordt de
entropie kan afnemen, betekent geenszins dat dat ook
altijd zal gebeuren. De manier waarop energie toegevoegd
wordt speelt een enorm belangrijke rol.
- Het begrip entropie en het begrip wanorde zijn niet zondermeer
synoniemen van elkaar. Bij het opvouwen van een aminozuursequentie
tot een proteďne kan je op een bepaalde manier zeggen dat de
wanorde afneemt, maar toch neemt ook de entropie toe. Tijdens
het proces wordt er namelijk energie of warmte afgestaan aan
het water waar de reactie in plaatsvindt.
balletjes-experiment
OVER
HET ONTSTAAN VERKLAREN UIT HET BESTAAN
Je schrijft:
Dat in de biologische evolutie een aantal overgangen voor komen,
die we nog steeds moeilijk kunnen vatten
is vooralsnog
onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat die in strijd
met fundamentele natuurwetten zouden zijn. En onvoldoende aanleiding
om die overgangen aan een buitenaardse, intelligente creator toe
te schrijven. Want daarmee gaat Scheele in een overeenkomstige
fout als hij Midas Dekker heeft verweten: Namelijk wat we niet
kunnen waarnemen, schrijven we dan maar aan een wonder toe.
Er worden mij weer dingen in de mond gelegd. Wat ik op blz. 196
en 197 (in andere woorden) heb geprobeerd uit te leggen is dat
een Schepper per definitie in overeenstemming met de natuurwetten
schept, anders zou er van natuur'wetten' geen sprake meer
zijn. Dat die Schepper een consistente wereld heeft gemaakt waarin
de processen zich volgens vaste regels voltrekken, maakt juist
dat we die wereld kunnen onderzoeken en beschrijven. Wat ik echter
wél zeg, is dat het proces waardoor deze wereld en het leven tot
stand kwam niet zomaar af te leiden is uit de processen die zich
afspelen nu deze wereld bestaat.
Ik weet niet zeker of ik het voorbeeld tijdens het forum gebruikt
heb, maar anders herhaal ik het maar: je kan een auto op een wetenschappelijke
manier onderzoeken op de testbaan, maar de gegevens die je daarbij
verzamelt (zoals over wegligging, benzineverbruik, remweg en dergelijke)
zullen je niet helpen te begrijpen hoe die auto ontstaan is. Het
is zelfs dwaas om de processen die zich afspelen tijdens het rijden
te extrapoleren naar een ontstaansgeschiedenis.
Nu is een auto geen zichzelf-reproducerende entiteit, zoals een
organisme, maar wat duidelijk mag zijn is dat het bestaan
niet noodzakelijkerwijs leidt tot het ontstaan van iets.
Als je een marsmannetje zou vertellen dat melk van gras gemaakt
wordt en dat dat door middel van een koe gebeurd, dan verklaart
hij je voor gek als hij van koeien (en dergelijke) niet afweet.
Als een marsmannetje gaat proberen de oorsprong van een hem toegezonden
glas melk op een naturalistische manier te verklaren, dan
komt uit dat onderzoek per definitie geen koe, omdat dat buiten
zijn gezichtsveld ligt en hij zichzelf bij voorbaat de beperking
opgelegd heeft om een en ander 'naturalistisch' te verklaren.
Wat ik wil zeggen is dat de wetenschappelijke methode bijzonder
effectief is als het gaat om het onderzoeken en beschrijven van
de werkelijkheid, maar dat ze op metafysisch terrein komt als
ze de oorsprong van de werkelijkheid wil verklaren, wil
afleiden uit het heden.
Ontstaan
uit bestaan?
CONCLUSIE
Tot zover mijn weerwoord op je commentaar op mijn boek. Ik kom
tot de conclusie dat je veel zaken oppervlakkig gelezen hebt en
dat je bij het lezen van bepaalde sleutelwoorden misschien directe
associaties gekregen hebt met eerdere discussies over dergelijke
zaken. Daar heb je dan het gebruikelijke verweer tegen in stelling
gebracht. Maar wel met als effect dat je me van sommige zaken
volkomen onterecht beschuldigt. Dat ben ik echter wel gewend.
Dit neemt niet weg dat je me aan het denken gezet hebt en dat
de materie die je aanreikt over primordial en optimal sequenties
erg interessant is. Naar aanleiding daarvan en naar aanleiding
van een discussie op de internetsite heb ik mezelf verdiept in
de diverse geslachtsbepalende systemen en daarbij ook sequentie-vergelijkingen
gedaan. Ik heb daar onder andere wat software voor geschreven
om me het vergelijken eenvoudiger te maken. Een deel van de resultaten
heb ik als artikel op de internetsite gezet en hier ook bijgevoegd.
Het geeft in ieder geval voor mijzelf een veel concreter zicht
op de argumenten die je aandraagt. Ik kom er straks op terug
Conclusie
Het onstaan van de genen in een ver verleden uit primordial versies
ANTWOORD OP DE BRIEF
VAN 11 MAART
Quick Tour
Over je voornemen juist de Quick Tour van commentaar te voorzien
ben ik niet zo enthousiast. Zoals je uit mijn commentaar hierboven
gemerkt hebt, vind ik niet dat je mij zorgvuldig behandelt. Omdat
de Quick Tour alleen maar de grote lijn aangeeft, is het erg gemakkelijk
er allerlei dingen in te lezen die ik niet beweer. Ik zou liever
zien dat je me letterlijk citeert uit het boek als je mij iets
wilt laten zeggen waar je het niet mee eens bent. Ik vind van
mezelf dat ik erg mijn best gedaan heb evolutionisten hun eigen
zegje te laten doen in mijn boek, en zou het waarderen als met
mij hetzelfde gedaan wordt.
De
afrekening
het computermodel
Voor wat betreft het computermodel voor de vijf enzymen in 16
organismen:
Ik begrijp de berekeningen, maar ben (nog) niet overtuigd. Waarschijnlijk
komt dat door mijn onzorgvuldige formulering van het probleem.
Ik schreef namelijk:
"Als er in tien verschillende oertypen dezelfde of een vergelijkbare
sequentie gegeven is, waarna deze onafhankelijk van elkaar zijn
gaan muteren, hoe kan dan met zekerheid vastgesteld worden welk
model uitgesloten moet worden?"
De volgende vraag die ik mezelf zou moeten stellen is: hoeveel
genen tussen niet-verwante typen zullen (vrijwel) exact gelijk
geweest zijn bij creatie én daarna toch variabel. Ik weet wel
van de histonen, maar die zijn invariabel, dus daarbij gaat het
verhaal niet op. Misschien zou ik het volgende grove tabelletje
kunnen maken:
- Ongelijksoortigde genen hebben dezelfde functie maar zijn
zeer verschillend
- Gelijkde genen zijn (vrijwel) geheel identiek
- Gelijksoortigde genen vertonen grote overeenkomsten maar verschillen
wel
- Progressief-gelijksoortige genen die 'parallelle progressie'
vertonen met de soort-indeling
Voor elk van de categoriën geldt dat ze mogelijkerwijs non-variabel
zijn via matig variabel tot zeer variabel (binnen het type
dus!). Histonen zijn dan zondermeer gelijk - nonvariabel. De berekening
zoals je die gemaakt hebt zou dan gelden voor genen die gelijk
- variabel zijn. Slechts een beperkte categorie! Ik denk dat er
echter genen zijn die (ik noem het nu maar even zo) 'progressief'
zijn. Dat wil zeggen, bepaalde verschillen in aminozuurvolgorde
zijn misschien niet essentieel (in die zin dat ze bij wijziging
resulteren in een disfunctioneel eiwit) maar ze zijn ook niet
functieloos. Of in andere woorden: een niet-lethale
substitutie is nog niet meteen in alle opzichten een neutrale
substitutie. Begrijp je wat ik bedoel? Jij gebruikt het woord
'neutrale substitutie' in de zin van 'niet-lethale substitutie',
maar het hoeft daarmee nog niet onmiddelijk neutraal te zijn in
de zin van een zekere functionele verschuiving.
Zo vertelde een professor in Groningen mij dat een lama een 'versie'
van hemoglobine heeft dat het uitstekend doet in ijle lucht. Hier
is dus sprake van een niet-lethale, niet-neutrale aminozuursubstitutie
die dus een functioneel verschil maakt.
Een biologiestudent schreef mij een reactie waarin hij zei:
Bij ongewervelden is het ademhalingspigment hemocyanine
met koper als zuurstof-bindend element. Dit is vrij in oplossing
in het bloed. Bij gewervelden is het hemoglobine, wat
ijzer gebruikt om zuurstof te binden en voorkomt in de rode
bloedcellen. Ten eerste heeft er dus evolutie plaatsgevonden
van koper naar ijzer als (beter) zuurstofbindend element. Verder
is door het verpakken van het pigment in cellen een hogere concentratie
in het bloed mogelijk.
Verschillen tussen zuurstofbindende moleculen zijn niet functieloos.
Als ik het in jouw woorden zou moeten zeggen zou ik dat zo zeggen:
in verschillende soorten zijn er verschillende 'optimal sequenties'.
Deze 'optimal sequenties' komen echter sterker overeen naarmate
de soort of het type zelf ook meer overeenkomt. Hemoglobine van
zoogdieren zal altijd meer op elkaar lijken dan op dat van reptielen,
omdat dat koudbloedigen zijn en ze daarmee ook een andere zuurstofhuishouding
hebben. Het type stelt andere eisen aan verder toch overeenkomstige
genen.
Dezelfde 'functionele verschuiving' waarvan sprake is in de bouw
en organen van niet-verwante typen is dan ook waarneembaar in
de eiwitten. Ofwel 'parallelle progressie'. Om het anders te zeggen:
als we door naar de buitenkant te kijken tot de conclusie komen
dat twee typen veel overeenkomsten vertonen, dan mag je verwachten
dat een behoorlijk deel van de genen in de binnenkant ook vergelijkbare
overeenkomsten vertoont. Als je op basis van overeenkomsten aan
de buitenkant een indeling maakt van allerlei soorten en typen,
dan mag je verwachten dat je dezelfde soort indeling krijgt als
je naar de binnenkant (de genen) kijkt. Maar niet noodzakelijkerwijze
altijd! Het zou net zo goed kunnen dat er op bepaalde terreinen
(genen) van wordt afgeweken.
Ik zou dus zeggen: als er (ooit) eens een paar genen gevonden
worden waarbij de verdeling behoorlijk random is, dan pleit dat
tegen een gemeenschappelijke afstamming. Als er veel genen gevonden
worden waarbij de stamboom precies dat oplevert wat het aan de
buitenkant beoordeeld ook oplevert, dan zegt (mij) dat op zich
nog niet genoeg.
Als er genen gevonden worden die dezelfde functie hebben,
maar die verder zeer ongelijk zijn, dan lijkt mij dat een
ernstig of misschien zelfs doorslaggevend bezwaar
tegen macro-evolutie.
En eigenlijk is dat laatste wat ik in (o.a.) de geslachtsbepalende
genen aangetroffen heb.
(Zie het artikel
over de Geslachtsbepalende Systemen op deze site, dat Rörsch
bij deze brief ook ontvangen heeft)
Nog
geen commentaar op ontvangen
of het moet dit zijn:
'bijzondere'
interpretatie
Zie ook:
Openstaande
punten
honderden enzymen?
Je schrijft verder:
"Dit is dus precies het patroon dat we in de enzym-atlas
aantreffen, voor honderden enzymen, hetgeen eenduidig op een fylogenetische
relatie tussen alle organismen wijst."
Mijn antwoord luidt dus: niet noodzakelijkerwijs. Het kan ook
duiden op overeenkomstige progressieve verschuiving van functionaliteit
die (logischerwijze) parallel loopt met de progressie van de complexiteit.
(Vergeef me dat laatste woord).
Nog een kanttekening daarbij. Ik lees op het internet over zoogdieren
dat zij ouder zijn dan de schildpad in het KUnieuws het volgende:
De verschillende methoden (=computerprogramma's PMS) leverden
alle hetzelfde resultaat op. De berekeningen werden vervolgens
herhaald met elf andere eiwitten van schildpadden, zoogdieren,
vogels, amfibiën en vissen, waarvan de aminozuurvolgorde al
bekend was. In zes gevallen leidden de berekeningen tot dezelfde
stamboom, bij de andere eiwitten was de aftakkingsvolgorde steeds
wisselend.
Zo 'eenduidig' zijn de resultaten dus niet. Integendeel. Vijf
eiwitten zijn random, zeven vertonen gelijke aftakkingsvolgorde.
Dat is dan precies zoals je mag verwachten als er een Schepper
aan de gang geweest is die elke soort het zijne heeft meegegeven
met gelijke, gelijksoortige en 'progressieve' genen (ongelijke
genen zullen hier niet vergeleken zijn met elkaar).
Eiwitstambomen
Ik hoop niet dat je bovenstaande ziet als een 'uitvlucht'. Mijn
eigen gedachten over deze zaken moeten ook nog definitieve vorm
krijgen. Je bent de eerste geweest tijdens mijn rondgang door
het land die met iets 'nieuws' aan kwam zetten! Tot nog toe beweert
iedereen dat er ook nu nog voortdurend nieuwe genen ontstaan door
de combinatie mutatie + selectie.
Overigen
Er is nog een mogelijk element waar rekening meegehouden moet
worden: de reparatiemechanismen. In Biology op blz. 1045 staat:
Bij zoogdieren en vogels zijn de reparatiemechanismen (die
sommige mutaties kunnen corrigeren) waarschijnlijk efficiënter,
en resulteren daarom minder in opeenstapelende veranderingen
in de neutrale (niet voor eiwitten coderende) regionen van het
DNA.
Als dit zo is zou je een 'pyramidevorm' kunnen krijgen waarbij
'hogere' dieren veel minder afwijken van hun oorspronkelijke versie
dan 'lagere' dieren. Lagere dieren zullen ook onderling veel meer
afwijken, dan hogere. Ik meen dit in de verschillenmatrix van
cytochroom c te zien.
Op dit punt ben ik echter geheel niet zeker. Ik reik hier alleen
maar een gedachtengang aan.
Reparatiemechanismen
Nog een paar gedachten:
- Je schrijft dat vervangingen "binnen de groep" moeten
plaatsvinden. Maar dat is toch bijvoorbeeld bij cytochroom c
al helemaal niet het geval? Er zijn vele vervangingen door niet-verwante
aminozuren.
- Hoe zit het met inserties en deleties? Die komen in je computermodel
ook niet voor maar in de praktijk wel.
Groepsvervangingen,
inserties
Nog een paar bezwaren tegen het ontstaan van primordial naar
optimal die in mij opborrelen:
- Ik kom nergens de regulatie van genen tegen. Het gaat niet
alleen maar om de functie van een gen zelf, maar juist ook om
de regulatie ervan. Dat wil zeggen op het juiste moment in de
juiste dosis, etc.
Splicing
- Er is geen verantwoording voor het ontstaan van splicing met
introns en exons en de daarbijhorende enorm diverse regelmechanismes.
Je computermodel is een behoorlijke versimpeling van de werkelijkheid
en zou theoretisch voor hele simpele eiwitten misschien opgaan.
Regulatie
- Een vereiste voor dit proces is een constante selectiedruk
erop voor miljoenen jaren. In een computermodel is dat eenvoudig
op te stellen. Maar of dat in werkelijkheid realistisch is?
- Misschien dat (in theorie dus) 1 eenvoudig eiwit met enige
primitieve functionaliteit geoptimaliseerd kan worden als er
gedurende miljoenen jaren op geselecteerd wordt. Maar genen
staan niet op zich en werken samen. Zie blz. 70 voor de beschrijving
van de twaalf genen die nodig zijn om een cel lichtgevoelig
te maken. Ik kan me toch niet aan de indruk onttrekken dat twaalf
van zulke 'primordial' genen gewoon helemaal niets doen. En
dat de sprong van niets naar heel-weinig dus toch veel groter
is dan het 'stapje' van niets naar naar primordial.
Bovenstaande zijn meer wat losse opmerkingen bedoeld om de gedachten
wat te prikkelen en niet zozeer om daar de discussie op toe te
spitsen.
Wetenschap
& religie
Je schrijft nog ergens: "ik kan onmogelijk in een
goedertieren god geloven". Ik begrijp dat zo moeilijk. Ik
vind dat wetenschap per definitie agnostisch van aard zou moeten
zijn, waarbij de waarde van de wetenschap vooral is dat ze het
heden onderzoekt en in kaart brengt. Ze hoeft niet noodzakelijkerwijs
het onstaan van deze wereld te verklaren om nuttig te kunnen zijn
voor de wereld. Integendeel zelfs. Ik denk dat als wetenschappers
dat wel doen (het onstaan verklaren), zij de aan de wetenschap
gestelde grenzen overschrijden en op metafysisch terrein komen.
Het kan de persoonlijke voorkeur van een wetenschapper zijn niet
in een God of Schepper te geloven. Ik denk dat de wetenschap geen
enkele belemmering hoeft te ondervinden als je wel in een God
of Schepper gelooft (en niet in een macro-evolutie). Daarom vind
ik dat wetenschappers hardop moeten zeggen dat hun ontstaansmodel
een theoretische mogelijkheid is die geenszins alternatieven uitsluit,
eenvoudigweg omdat het aan de wetenschap niet gegeven is om daar
definitief uitsluitsel over te geven. Maar ja. Daar zal je het
wel niet mee eens zijn.
Wetenschap
& religie
Met vriendelijke groet,
Peter Scheele