Eindhoven, 05-03-98
Beste Arthur Rörsch,
Bedankt voor uw brief. Ik had uw adres niet, anders had ik eerder
gereageerd.
De reden waarom ik kontakt wilde zoeken is om toestemming te vragen
uw twee bijdragen aan de discussie-avond op het internet te publiceren.
Daarbij wil ik dan mijn gebrekkige commentaar plaatsen. Alhoewel
de twee papieren uw openbare lezing betrof, leek het me toch verstandig
daarover eerst even ruggespraak te hebben met u.
Enzym-evolutie
Een aantal zaken uit onze discussie hebben mij wel bezig gehouden.
Met name de histonen-kwestie. Ik denk uw verhaal over primordial
naar ideal te begrijpen. Toch hebben de histonen zo'n 'ideal'
sequentie, dat er van mindere functionaliteit in het geheel
geen sprake is. Elke wijziging (op drie na) maakt zóveel
verschil dat het weggeselecteerd wordt, of waarschijnlijker (want
anders zouden we varianten waarnemen) dat het individu niet levensvatbaar
is. Het schijnt mij toe dat als er sprake is van optimalisering,
dat varianten die voor 99% optimaal zijn ook voor mogen komen.
Die keuze bestaat echter niet. Het is alles of niets, aan of uit,
functie of geen functie. Dit neemt niet weg dat het bij andere
genen wél zo zou kunnen zijn.
Een weerwoord hierop, zoals ik dat enigszins uit uw commentaar
kan herleiden maar ook zelf wel kan bedenken, is dat die graduele
optimalisatie in een ver verleden heeft plaatsgevonden en zich
daarna zo gefixeerd heeft dat er nu geen weg terug meer is. Er
is dus een theoretische verklaring voor. En dat is mijn probleem.
Het is een verklaring voor iets dat niet waargenomen wordt,
in plaats van voor iets dat wél waargenomen wordt. U moet goed
begrijpen dat u in mij met een enorme scepticus te maken hebt,
die er niet zomaar van uitgaat dat er een macro-evolutie geweest
is. Als ik daarvan overtuigd wil raken, moet ik zwaarwegende en
doorslaggevende argumenten vinden die het tegendeel volkomen uitsluiten.
Een theoretische verklaring voor iets wat we niet zien is voor
mij dus in het geheel geen bewijs.
Dat is wat Eldredge en Gould ook gedaan hebben met hun punctuated
equilibrium-model: een verklaring geven voor iets wat er niet
is. De verfijnde graduele overgangsvormen tussen verschillende
soorten en typen die je volgens de evolutietheorie zou mogen verwachten
worden niet gevonden in de fossielen, maar dat komt omdat alleen
de 'succesformules' er in terecht komen. Daarmee is dan echter
het tegendeel - separate schepping van de oertypen - niet weerlegd.
Er gaat een mopje de ronde dat ik u niet wil onthouden (en op
het gevaar af dat u het niet kan waarderen). Weet u waarom olifanten
wel rode sokjes dragen? Omdat ze dan niet opvallen in een aardbeienveld.
Heeft u wel eens een olifant gezien in een aardbeienveld? Nee?
Ziet u wel dat het werkt. In dit overduidelijke mopje wordt ook
een verklaring gegeven voor iets dat niet waargenomen wordt. Begrijpt
u mijn moeite daarmee?
Een vraag die ik u stelde tijdens het forum wil ik nu ook graag
aan u stellen. Ik zal dat iets specifieker doen. Ik wil graag
van u weten op welke manier u door sequenties te vergelijken tussen
niet-verwante soorten uit kunt maken voor welk model gekozen moet
worden. Een afstammingsmodel of een creatie- degeneratie model.
Volgens een afstammingsmodel was er een voorouder-sequentie,
zeg voor het gemak van 26 letters van het alfabet:
abcdefghijklmnopqrstuvwxyz.
Deze wordt met mutaties doorgegeven aan het nageslacht en het
nageslacht kan zich splitsen, zodat er uiteindelijk zeg tien varianten
overgebleven zijn, met ieder hun specifieke sequenties.
Een creatie-degeneratie model zegt dat de oorspronkelijke sequentie
gegeven is en al dan niet overeen kan komen tussen niet-verwante
soorten afhankelijk van of het dezelfde of vergelijkbare functionaliteit
bezit. En dáárna ontstaan er door mutaties in meer of mindere
mate wijzigingen in. Déze genen hebben een hoge tolerantie (ze
staan veel substituties toe), andere hebben een enorm lage tolerantie
(zoals histonen).
Als er in tien verschillende oertypen dezelfde of een vergelijkbare
sequentie gegeven is, waarna deze onafhankelijk van elkaar zijn
gaan muteren, hoe kan dan met zekerheid vastgesteld worden welk
model uitgesloten moet worden?
Een probleemveroorzakende factor daarbij is dat ook voortdurende
de vraag gesteld moet worden bij verschillen: is het een functieloos
verschil, of schuilt er toch functie achter. Eenvoudigweg zeggen
dat die verschillen geen functie hebben, omdat ze tussen niet-verwante
soorten verschillen is nog niet voldoende, lijkt mij.
Mijns inziens is het vooralsnog zo dat er vanuit gegaan wordt
- om andere redenen, zoals paleontologische - dát die afstamming
er is. De vraag óf het wel zo is mag niet eens gesteld worden.
Enzym-evolutie
Ik zou nog graag naar aanleiding van de Ichthus-stencils een
paar opmerkingen willen maken en vragen willen stellen. Dat zal
ik in een volgende brief doen. Deze is nu lang genoeg.
Met vriendelijke groet,
Peter Scheele