Hemel 1997
Geachte Peter Scheele,
Laatst werd ik plotseling op uw vernieuwende ideeën attent gemaakt. En, al verwacht u
natuurlijk geen antwoord uit de hemel, ik wil toch graag reageren. Want als je eenmaal met
een theorie komt, dan blijft dat vakgebied je altijd interesseren en niet alles gaat in de
Hemel aan je voorbij. Vandaar dat ik in deze tijd ook iets afweet van de enorme
wetenschappelijke ontdekkingen op het gebied van DNA, genen en eiwitten. En u heeft gelijk
wanneer u veronderstelt dat ik daarover nog niet eens had durven dromen tijdens mij leven.
Maar nu die kennis er is, heeft u groot gelijk om er gebruik van te maken in nieuwe
theorieën. Ik meende echter te mogen denken, dat de ontdekkingen van nucleotiden in de
vorm van DNA en RNA, als gemeenschappelijke basisbouwstenen in levende organismen, als een
ondersteuning van mijn theorie te beschouwen. U beweert nu dat dat niet waar is, maar
geeft erg geen argumenten bij. Mag ik vragen waarom u zegt dat er geen gemeenschappelijke
voorouders zijn?
Als u zegt dat op moleculair niveau eiwitten en genen in essentie en basisstructuur
vrijwel niet veranderen, dan verwerpt u nog niet het idee van een evolutie. Het zou best
kunnen dat de eiwitten wel evolueren, maar dat hun huidige vorm zo essentieel is voor de
reactie, dat iedere verandering meteen dodelijk is. Als iedere verandering dodelijk is
voor die cel, dan zal er dus nooit een cel gevonden worden waarin die verandering
zichtbaar is. Maar dat wil dus niet zeggen dat evolutie niet plaatsvindt. Daarbij vindt
evolutie voor een groot gedeelte plaats door natuurlijke selectie. Als er geen natuurlijke
selectie op die eiwitten plaatsvindt, omdat ze zo essentieel voor het leven zijn, zodat ze
in ieder organisme van die soort hetzelfde zijn, dan hoeven ze niet te evolueren.
Als u het heeft over het begrip recombinatie en u bedoelt dan dat daarbij slechts een
eindig aantal mogelijkheden mogelijk is binnen de genenpoel van die soort, dan ben ik het
met u eens. Als u echter bedoelt dat er binnen een soort niet meer variatie kan ontstaan
door recombinatie, dan de variatie die op dat moment binnen de soort voorkomt, dan ben ik
het niet met u eens. Het kan namelijk zijn dat twee individuen van dezelfde soort, maar
van twee verschillende, nog nooit gekruiste bloedlijnen, elkaar tegenkomen, paren en
nakomelingen krijgen. Hierbij worden twee aparte genenpoelen van de ouders samengevoegd
tot één genenpoel van de jongen, maar nu zijn er wel ineens meer variaties mogelijk. Dit
wordt duidelijk als je de genenpoelen van de ouders vergelijkt met een fles met rode
knikkers en een fles met groene knikkers. Als je uit beide fles zeven knikkers pakt, dan
weet je dat je zeven rode en zeven groene knikkers krijgt. Mogelijkheden voor variatie
zijn er niet. Maar als je die twee flessen leeggooit in een schaal en je pakt dan zeven
knikkers uit die schaal, dan kun je zeven rode en zeven groene knikkers krijgen, maar net
zo goed vier rode en tien groene, of acht rode en negen groene knikkers. Er zijn ineens
veel meer mogelijkheden tot variatie, nog steeds binnen het soort knikkers.
Mutaties kunnen inderdaad genen beschadigen en negatieve effecten teweegbrengen. Maar
tevens zijn het vaak mutaties die resistentie in ziekteverwekkers veroorzaken en dan is
het juist positief, voor de ziekteverwekker dan. (En ik laat hierbij de snelle
verspreiding van zo'n positieve resistentie-mutatie, via de F-factor bij bacteriën buiten
beschouwing.) Waarom u denkt dat mutaties alleen maar genetische verarming teweegbrengen
is mij ook niet duidelijk. Zou u dat kunnen uitleggen?
Met uw conclusie over eindige variabiliteit van een ras ben ik het volledig eens, maar
die degeneratie van het oertype begrijp ik niet. Ik zie inderdaad dat u een convergentie
theorie voorstelt in plaats van een divergentie theorie. Maar waarom? Wilt u werkelijk
beweren dat er vroeger meer soorten waren dan nu. En dat soorten niet in elkaar over
kunnen gaan? Hoe verklaart u dan de vinken en de fruitvliegjes, die eerst wel konden
kruisen en daarna niet meer en dus twee aparte soorten geworden waren?
Daarbij krijg ik het idee dat u de essentie van mijn theorie, namelijk natuurlijke
selectie, niet afwijst, maar slechts enigszins aanpast. Daarmee laat u het proces van
evolutie intact. U heeft alleen wat andere ideeën over de richting van de evolutie en
over wat mutaties doen. Dat zijn kleine veranderingen die u aanbrengt. Daarom begrijp ik
niet zo goed waarom u met de titel van uw boek het einde van mijn evolutietheorie inluidt.
U geeft mij in uw brief namelijk het idee dat u de evolutie de andere kant op laat lopen,
maar wel volgens mijn theorie. Ik wil dan ook zeggen dat ik uw aanbod van een kosteloos
exemplaar van uw boek graag aan wil nemen. Dan kan ik het doorlezen en dan begrijp ik
misschien beter wat u bedoelt. En misschien zou u mijn vragen en onduidelijkheden dan
willen beantwoorden via correspondentie.
Ik kijk met veel interesse uit naar uw boek. U kunt het toezenden aan mijn secretaresse
en mijn contact op aarde en dat is:
Caroline H.
xxxxxxxxxxx
xxxxxxxxxxx
(Een echte brief uit de hemel zou u namelijk niet kunnen lezen, hemelse materie vergaat
zodra het op aarde komt, tenzij het rechtstreeks van de Allerhoogste komt.)
Met vriendelijke groet,
C.R. Darwin
|