| Beste Charles Darwin, Bedankt voor uw boek The Origin of species. U bent in
staat geweest het mechanisme te benoemen dat in de levende natuur om ons heen variatie tot
stand brengt. Dit was een grote verdienste voor de wetenschap, zeker gezien de in uw tijd
heersende opvatting van de onveranderlijkheid van soorten. Echter, de huidige
moleculaire kennis van het DNA, genen en eiwitten, die de basis blijken te zijn van
de erfelijkheid, doet ons inzien dat uw ideeën over het ontstaan van niet-verwante
soorten - namelijk dat deze gemeenschappelijke voorouders gehad zouden hebben - niet
juist blijkt te zijn.
Het door u ontdekte principe van natuurlijke selectie is wel werkzaam op het
niveau van individuën en populaties, maar niet op het moleculaire niveau van de enkele
eiwitten. Het blijkt namelijk dat een groot deel van de genen die essentiëel zijn
voor de levensvatbaarheid van een organisme helemaal niet evolueren! In essentie,
in de basis-structuur, blijven soorten of typen daarom dan ook gelijk.
De structuur van die eiwitten blijkt bovendien zo complex en specialistisch te zijn - van
een orde waar u zich geen voorstelling van hebt kunnen maken - dat het onmogelijk is dat
ook maar één enkel van die eiwitten door een toevallige rangschikking van
molekulen zou kunnen ontstaan binnen de door u voorgestelde lange periode van
ontwikkeling.
De variatie die in populaties en de fossielen zichtbaar is, en de mogelijkheid die een
soort heeft om zich aan te passen, blijkt door een intern ingebouwd mechanisme tot
stand te komen, dat wij recombinatie noemen. Dit mechanisme, dat ik naar analogie
van uw natuurlijke selectie de natuurlijke variatie gedoopt heb, put
slechts uit de bestaande interne genetische variatie en informatie die er in een
soort al aanwezig is.
Het later bekend geworden begrip van de mutatie brengt hoofdzakelijk nieuwe
variatie tot stand, door bestaande niet-essentiële genen uit te schakelen of te
beschadigen, maar is mede daardoor ook een veroorzaker van erg veel genetische verarming
en erfelijke ziektes.
Onze conclusie moet daarom zijn dat er veel eerder sprake is van een typologische
variatie of differentiatie die niet over haar eigen grenzen heen kan gaan, maar
daarbinnen wel enorm veel mogelijkheden geeft. Dit is overigens iets wat u uit ervaring al
wist van de kwekers die u kende: er is een einde aan de variabiliteit van een ras
waar op geselecteerd wordt.
Maar hoe het ook zij, zowel mutatie als typologische variatie zijn uiteindelijk
een vorm van genetische verarming en/of degeneratie vanaf het oertype
waar die variatie uit ontstond. U begrijpt dat dit ronduit het tegenovergestelde is van
wat u voorgesteld hebt, namelijk dat er een evolutie van laag naar hoog plaatsgevonden zou
hebben.
Mocht dit u in enige mate verontrusten en wenst u een en ander daarom aan een nader
onderzoek te willen onderwerpen, dan kunt u van mij kosteloos een exemplaar van mijn boek
krijgen, dat onlangs uitgekomen is en deze materie behandeld. Het draagt de niet geheel
onverwachtse titel
Degeneratie: het einde van de evolutietheorie.
Overigens moet u deze betiteling niet als een persoonlijke belediging beschouwen. Het
kan u niet kwalijk genomen worden, dat u geen weet had van zaken die niet bekend waren in
uw tijd.
Met vriendelijke groet en de meeste hoogachting,
Peter Scheele
|