Oerleven had dirigent nodig

Uit: Wetenschapsbijlage Volkskrant 24 april 1999

Willy van Strien

 
Relatief kort na het ontstaan van de aarde moeten de eerste stappen naar de vorming van leven al zijn gezet. Sporen ontbreken, onderzoekers hebben alleen theorie en het lab voor proefjes. Maar het inzicht groeit.

cyanobakt1.jpg (9509 bytes)

NIEUWTJES EN discussies over het ontstaan van het leven duiken regelmatig op in de wetenschappelijke tijdschriften. Onlangs bijvoorbeeld het bericht dat er in de buurt van heetwater-bronnen kleine eiwitfragmentjes lijken te kunnen ontstaan. En de meningen verschillen over de kwestie of het eerste micro organisme een gewone bacterie is geweest of een zogenoemde extremofiel die leefde bij zwavelrijke heetwater-bronnen of in zoutpannen.

In juli zien de experts elkaar op een internationaal congres in San Diego. Onder hen is prof. dr. Alan Schwartz van de Katholieke Universiteit Nijmegen, verbonden aan de vakgroep microbiologie en evolutiebiologie. 'Alle nieuwe feiten ten spijt, het ontstaan van het leven blijft een moeilijk onderwerp met veel problemen', zegt hij.

Zeker is wel dat het ongelooflijk snel moet zijn gegaan. Omdat alle huidige organismen op dezelfde biochemische leest zijn geschoeid en hetzelfde erfelijk materiaal hebben, moet er een enkele populatie oercellen geweest zijn waar alle huidige soorten van afstammen. Op grond van de overeenkomsten en verschillen in de erfelijke code berekenden onderzoekers dat die populatie bijna vier miljard jaar geleden leefde.

De aarde was toen 'pas' een half miljard jaar oud. Uit die tijd is geen enkel gesteente en geen enkele afzetting bewaard gebleven. Van die allereerste organismen zal dan ook nooit het minste spoortje worden gevonden.

Een sediment van iets jongere datum is er wel: de 3,8 miljard jaar oude Isuaformatie in Groenland. En die is door het leven getekend, al zitten er geen herkenbare restanten van organismen in. Het sediment bevat koolstofatomen in de twee bestaande varianten, de isotopen koolstof-12 en -13. Het lichte koolstof-12, dat organismen bij voorkeur via hun stofwisseling inbouwen, is sterk vertegenwoordigd.

De oudste echte resten van levende organismen zijn nog een stukje jonger: van 3,5 miljard jaar geleden zijn er microfossielen gevonden in Australië. Het zijn overblijfselen van eencelligen die vermoedelijk leken op de huidige cyanobacteriën.

De oudste sporen van leven zijn dus afkomstig van eenvoudige, maar niettemin volwaardige organismen. Daarmee onttrekt het ontstaan van de oercellen uit levenloze bouwstenen zich volkomen aan het gezichtsveld. In feite weten we alleen maar wat die bouwstenen zijn, aldus Schwartz.

De vroegste aardbewoners moeten, net als de huidige planten, dieren, schimmels en micro-organismen die van hen afstammen, goeddeels hebben bestaan uit eiwitten, enerzijds de bouwstenen van de cellen, anderzijds de uitvoerders van allerlei processen als stofwisseling en celdeling. De instructies voor de bouw van de eiwitten lagen vast in DNA of het chemisch daaraan verwante RNA.

De bouwstenen van eiwitten zijn twintig verschillende aminozuren. DNA en RNA zijn lange ketens van een suiker (ribose), fosfaat en vier verschillende ringvormige basen, waarvan twee purines en twee pyrimidines. Op fosfaat na zijn dat allemaal verbindingen met koolstof, een veelzijdig chemisch element.

stromatoliet.jpg (22406 bytes)

Stromatoliet, fossiele kolonie cyanobacterien, oudste deel ruim drie miljard jaar oud.

De koolstofhoudende bouwstenen kunnen gemakkelijk op de jonge aarde voorhanden zijn. ‘Daarover bestaan twee ideeën waarvoor ook experimentele aanwijzingen zijn', zegt Schwartz.

Het eerste idee stoelt op de klassieke proeven van Miller en Urey in de jaren vijftig. Ze veronderstelden dat de oeratmosfeer bestond uit methaan. ammoniak en waterstofgas. Ze maakten zo'n gasmengsel na en wekten daarin een elektrische ontlading op. In deze atmosfeer op lab-schaal ontstonden allerlei aminozuren. Dat betekende indertijd een doorbraak: voor het eerst was er enig zicht op de zogenoemde prebiotische evolutie.

Schwartz: 'Andere onderzoekers maakten op soortgelijke manier purines en pyrimidines. In nog weer andere experimenten ontstond een mengsel met suikers, waaronder ribose.' Maar onduidelijk is inmiddels of de oeratmosfeer inderdaad de samenstelling had waarvan Miller en Urey waren uit gegaan. Het zal eerder een mengsel van kooldioxide en stikstofgas geweest zijn, stellen veel onderzoekers. En dan is de vorming van aminozuren en suikers uitgesloten.

Maar Schwartz schrijft het idee van Urey en Miller niet helemaal af: 'Het is redelijk te veronderstellen dat de jonge atmosfeer lage concentraties methaan, ammoniak en waterstofgas bevatte. En een beetje kan al voldoende zijn voor de vorming van koolstofhoudende verbindingen.'

De andere gedachte is dat de bouwstenen via meteorieten uit de ruimte kwamen. Prof. dr. Harry Priem, hoogleraar planetaire geologie in Utrecht en conservator van het Artis Geologisch Museum in Amsterdam, zegt: 'Het hele heelal barst van de koolstofverbindingen. Interstellaire stofwolken zitten er vol mee, evenals kometen en meteorieten.' Het gaat dan om aminozuren, purines en pyrimidines. Suikers ontbreken, waarschijnlijk doordat zij snel uiteen vallen.

Misschien kloppen beide gedachten. Dan is het enige probleem nog dat hier en daar alle bouwstenen tegelijk aanwezig geweest moeten zijn.

Echt moeilijk wordt het verhaal pas als die losse bouwstenen zich tot cellen gaan groeperen. Dat is ongetwijfeld in etappes gegaan, maar wat gebeurde er eerst? Bij de vorming van de lange DNA- en RNA-ketens is de hulp van eiwitten nodig.

En eiwitten op hun beurt verschijnen niet bij toeval; ze moeten door andere eiwitten gemaakt worden naar een recept dat in het DNA of RNA staat. Moleculaire rolpatronen blijken echter niet onwrikbaar. RNA-moleculen kunnen enkele eiwitfuncties uitoefenen en onder bepaalde omstandigheden kan een stukje RNA zichzelf verlengen of kopiëren.

Fossiele bacteriën, naar schatting 850 miljoen jaar oud, uit Bitter Springs, Australië.

cyanobakt2.jpg (2894 bytes)

Daarom bestaat nu het idee dat er eerst een wereld is geweest van blote RNA-ketens die zichzelf maakten en vermenigvuldigden. De voornaamste vraag is dan hoe de eerste stukjes RNA uit hun bouwstenen (fosfaat, ribose en basen) zijn ontstaan.

Maar ook deze kleinere vraag is vooralsnog onoplosbaar. Een verbinding tussen ribose en basen komt chemisch moeizaam tot stand. En de benodigde fosfaat zat vast in onoplosbare mineralen, vermoedt Schwartz, die zelf op dit gebied werkzaam is: 'Maar daar hebben we misschien een oplossing voor. We denken dat fosfaat onder vulkanische omstandigheden is omgezet in het veel oplosbaarder fosfiet en in die vorm beschikbaar kwam.'

Het grootste probleem is dat de RNA vanaf het begin puntgaaf geweest moet zijn. Het heeft een ruggegraat van beurtelings ribose en fosfaat. Aan elke ribose hangt een base, een purine (adenine of guanine) of een pyrimidine (uracil of cytosine). De basen neigen tot paarvorming, waarbij adenine altijd uracil opzoekt en guanine tot cytosine wordt aangetrokken.

Zo kan zich op een streng RNA een complementaire partnerstreng vormen. Haal je die van elkaar, dan vormt zich op elke streng opnieuw een complementaire streng. De erfelijke informatie, die in de opeenvolging van basen besloten is, wordt daardoor keer op keer ongewijzigd doorgegeven.

'Zit er een afwijking in de ruggegraat, dan kan een streng geen complementaire streng maken en is overdracht van informatie uitgesloten', legt Schwartz uit. 'De vraag is hoe een perfecte streng indertijd kan zijn ontstaan. Want de bouwstenen zaten in een mengsel met talloze verschillende koolstofverbindingen. Er waren onder meer grote hoeveelheden andere suikers die zich ook aan fosfaat en aan de basen bonden. De vorming van een zuivere RNA keten moet meteen zijn vastgelopen.'

Het leven kan nooit op aarde in een half miljard jaar zijn ontstaan, concluderen sommige onderzoekers dan ook. 'De algemene opvatting is dat er op veel plaatsen in het heelal leven is ontstaan; bouwstenen zijn er immers overal', zegt Priem. 'Dan is het heel goed denkbaar dat de oercellen ooit met een meteoriet op de aarde zijn beland. Daarmee is de vraag hoe het leven is ontstaan niet beantwoord. Maar het hoeft dan tenminste niet in zo'n korte tijd gebeurd te zijn.'

Schwartz hoort tot de vele onderzoekers die daar geen oplossing in zien: 'De spontane vorming van RNA uit een complex mengsel verbindingen is uitgesloten, ook al zou de tijd onbeperkt zijn.

Er moet op de een of andere manier orde in de chaos zijn aangebracht.

'Een idee is dat kleimineralen daar een rol bij gespeeld hebben. Enkele verbindingen uit het mengsel zouden daaraan zijn gebonden en de klei zou koppelingen tussen die verbindingen tot stand hebben gebracht.'

Het wachten is op iemand die dat trucje in het lab kan vertonen.

 

commentaar:

De titel (die oorspronkelijk ook zo boven het artikel stond!) zegt alles in dit verband.

 

   

 

geef hier je feedback over deze pagina of op de inhoud
copyright © 1997-2003, Peter Scheele
een project van WEBinSIGHTs