| In de film Jurassic
Park van Steven Spielberg is sprake van een experiment
om een uitgestorven diersoort uit de dood op te wekken.
Dat wonder voltrekt zich nadat DNA is gedestilleerd uit
een drupje bloed van een dino, dat is opgezogen door een
mug die daarna in barnsteen is gefossiliseerd. In de praktijk
is het reconstrueren van een diersoort aanzienlijk lastiger.
Zo is bij diverse experimenten gebleken dat het heel
moeilijk is oud DNA zonder verontreiniging uit in barnsteen
ingesloten insekten te halen. Bovendien is dat DNA,
net als dat uit oude huiden, weefsels of botten, meestal
sterk gedegenereerd. Wat rest, zijn flarden van enkele
honderden tot maximaal duizenden basenparen.
Hoe ver het DNA-tijdperk ook gevorderd mag lijken,
de technieken om een diersoort terug te krijgen zijn
nog dezelfde als aan het begin van deze eeuw. Nog altijd
is het oog van de fokker het belangrijkste instrument.
Toch heeft de DNA-technologie indirect wel een rol
gespeeld bij de wederopstanding van de quagga. jarenlang
was onduidelijk hoe het dier moest worden ingedeeld
in de
|
paardenfamilie.
Was het verwant aan het gewone paard of toch aan de zebra,
en aan welke zebrasoort dan?
De mensen achter het Zuid-Afrikaanse fokprogramma gaan
ervan uit dat de genen die de quagga zijn bruine kleur
gaven en zijn geringe streping, nog altijd voortleven
in de van oudsher wat noorderlijker levende vlakte-zebra.
Sommige van deze dieren zijn wat bruinig of hebben een
verminderde streping. Het eindresultaat van het fokprogramma
zal waarschijnlijk een bruinige, weinig gestreepte vlakte-zebra
zijn.
Niet alleen is de nieuwe quagga moeilijk genetisch
te vergelijken met zijn voorouders, ook een vergelijking
op het oog valt waarschijnlijk niet mee. De 23 nog in
musea opgeslagen quagga's ogen namelijk uiterst divers.
Nu al lijken de nakomelingen in het Zuid-Afrikaanse
project wel wat op sommige museumexemplaren met veel
streping. Anderzijds komen de resultaten nog niet in
de buurt van de quagga in het Leidse museum Naturalis.
Ook bij andere dieren is het moeilijk te beoordelen
hoe succesvol de fokkers zijn. In 1627 stierf de laatste
oeros in een park in Polen. Al in de
|
jaren dertig probeerden
de gebroeders Heck in Duitsland dit dier aan de hand van
oude beschrijvingen te reconstrueren. Ze gebruikten daar
een hele reeks halfwilde Europese runderrassen voor. Uiteindelijk
leidden hun kruisingen tot het zogeheten Heck-rund, een
dier dat uiterlijk heel behoorlijke voldoet aan de historische
beschrijvingen.
In tal van Nederlandse natuurgebieden lopen deze Heck-runderen
rond. Soms zij aan zij met een andere uitgestorven soort:
de tarpan, waarvan het laatste exemplaar rond het jaar
1900 stierf. Het waren wederom de gebroeders Heck die
probeerden de weer tot leven te wekken. Om de van de
beesten naar hun zin te krijgen, kruisten ze onder meer
met Przewalski-paarden.
Een betere kopie komt waarschijnlijk uit Polen, waar
net voor de Tweede Wereldoorlog een fokkerij werd opgezet
met een groep koniks die rechtsreeks afstamde van de
tarpan. Maar ook bij dit project weet niemand of we
de nakomelingen echte tarpans mogen noemen. Levert de
som der delen weer de oorspronkelijke (onder)soort op?
Rik Nijland
|