Artikel Volkskrant 18-11-98
Zie ook dit artikel

DNA en het oog van de fokker

 

 

In de film Jurassic Park van Steven Spielberg is sprake van een experiment om een uitgestorven diersoort uit de dood op te wekken. Dat wonder voltrekt zich nadat DNA is gedestilleerd uit een drupje bloed van een dino, dat is opgezogen door een mug die daarna in barnsteen is gefossiliseerd. In de praktijk is het reconstrueren van een diersoort aanzienlijk lastiger.

Zo is bij diverse experimenten gebleken dat het heel moeilijk is oud DNA zonder verontreiniging uit in barnsteen ingesloten insekten te halen. Bovendien is dat DNA, net als dat uit oude huiden, weefsels of botten, meestal sterk gedegenereerd. Wat rest, zijn flarden van enkele honderden tot maximaal duizenden basenparen.

Hoe ver het DNA-tijdperk ook gevorderd mag lijken, de technieken om een diersoort terug te krijgen zijn nog dezelfde als aan het begin van deze eeuw. Nog altijd is het oog van de fokker het belangrijkste instrument.

Toch heeft de DNA-technologie indirect wel een rol gespeeld bij de wederopstanding van de quagga. jarenlang was onduidelijk hoe het dier moest worden ingedeeld in de

paardenfamilie. Was het verwant aan het gewone paard of toch aan de zebra, en aan welke zebrasoort dan?

De mensen achter het Zuid-Afrikaanse fokprogramma gaan ervan uit dat de genen die de quagga zijn bruine kleur gaven en zijn geringe streping, nog altijd voortleven in de van oudsher wat noorderlijker levende vlakte-zebra. Sommige van deze dieren zijn wat bruinig of hebben een verminderde streping. Het eindresultaat van het fokprogramma zal waarschijnlijk een bruinige, weinig gestreepte vlakte-zebra zijn.

Niet alleen is de nieuwe quagga moeilijk genetisch te vergelijken met zijn voorouders, ook een vergelijking op het oog valt waarschijnlijk niet mee. De 23 nog in musea opgeslagen quagga's ogen namelijk uiterst divers. Nu al lijken de nakomelingen in het Zuid-Afrikaanse project wel wat op sommige museumexemplaren met veel streping. Anderzijds komen de resultaten nog niet in de buurt van de quagga in het Leidse museum Naturalis.

Ook bij andere dieren is het moeilijk te beoordelen hoe succesvol de fokkers zijn. In 1627 stierf de laatste oeros in een park in Polen. Al in de

jaren dertig probeerden de gebroeders Heck in Duitsland dit dier aan de hand van oude beschrijvingen te reconstrueren. Ze gebruikten daar een hele reeks halfwilde Europese runderrassen voor. Uiteindelijk leidden hun kruisingen tot het zogeheten Heck-rund, een dier dat uiterlijk heel behoorlijke voldoet aan de historische beschrijvingen.

In tal van Nederlandse natuurgebieden lopen deze Heck-runderen rond. Soms zij aan zij met een andere uitgestorven soort: de tarpan, waarvan het laatste exemplaar rond het jaar 1900 stierf. Het waren wederom de gebroeders Heck die probeerden de weer tot leven te wekken. Om de van de beesten naar hun zin te krijgen, kruisten ze onder meer met Przewalski-paarden.

Een betere kopie komt waarschijnlijk uit Polen, waar net voor de Tweede Wereldoorlog een fokkerij werd opgezet met een groep koniks die rechtsreeks afstamde van de tarpan. Maar ook bij dit project weet niemand of we de nakomelingen echte tarpans mogen noemen. Levert de som der delen weer de oorspronkelijke (onder)soort op?

Rik Nijland

 

commentaar:

Leuke achtergrond informatie.

 

   

 

geef hier je feedback over deze pagina of op de inhoud
copyright © 1997-2003, Peter Scheele
een project van WEBinSIGHTs