|
De poging om tot een synthese te komen tussen
de degeneratietheorie en de basistypenbiologie is een moeilijke
opgave. Historische aspecten en definities van begrippen,
die bij elke auteur een iets andere invulling hebben, zouden
uitgebreid aan bod moeten komen, en daarnaast is er de voortgaande
toeneming van de kennis op dit gebied. De beperking van
de ruimte in acht genomen kunnen we misschien toch iets
op een rijtje zetten, want m.i. is er een naadloze ineenschuiving
mogelijk van de aspecten, die Scheele heeft beschreven en
dat wat al bekend is onder aanhangers van de scheppingstheorie.
De opkomst van de Basistypenbiologie
Op het gebied van de oorsprong van het leven, van de
soorten, van de mens etc. zijn in strikte zin geen natuurwetenschappelijke
experimenten mogelijk. Men kan verzamelde en samenhangende
gegevens proberen te begrijpen met behulp van theorieën
en daaruit afgeleide hypothesen (fig.1).

Fig. 1: Interpretatiewijze van objectieve
gegevens binnen een bestaande theorie of hypothese (naar
Junker en Scherer, 1986)
Op grond van dergelijke interpretaties zou
men dan voorspellingen kunnen doen om de hypothesen te testen.
Dat blijkt echter op het gebied van de oorsprongen moeilijk
te gaan, althans op het eerste gezicht. De degeneratietheorie
biedt veel mogelijkheden tot toetsbare voorspellingen. Omdat
het alleenrecht voor de wetenschappelijke verklaringen op
dit terrein door de materialistisch, naturalistisch en evolutionistisch
ingestelde wetenschappers wordt opgeëist, heeft Frank L.
Marsh (1947) een scheppingstheorie geformuleerd, waarin
wel variatie en aanpassing (vergelijk micro-evolutie) mogelijk
is, maar geen afstamming van het ene type uit het andere.
Met dezelfde gegevens kan dus evengoed een heel ander stelsel
voor de biologie opgebouwd worden (Fig. 2).

Fig. 2: Dezelfde objectieve gegevens kunnen
zo (zie fig. 1) in verschillende theorieen betreffende de
oorsprong worden geinterpreteerd. De taxonomie is de naamgevingskunde
(naar Junker en Scherer, 1986)
Als erkend bioloog verwierp Marsh de algehele
evolutieleer (macro-evolutie) en introduceerde de zogenoemde
Baramin (van het Hebreeuwse Bara = scheppen
en min = soort in soortverscheidenheid) en hield
zich aan de historische betrouwbaarheid van Genesis (Fig.
3).

Fig. 3: Voorstelling van de Baramins
(geschapen arche- of basistypen) van de Mens en de Paardachtigen
(volgens F.L. Marsh, 1947).
Andere biologen hebben op dit concept voortgeborduurd.
Ook termen als 'Archetype' (= oertype), Genesissoort e.d.
bleven opduiken. Op het eerste Europees Creationistisch
Congres in 1984 heeft dr. Siegfried Scherer de term 'basistype'
(Basic type) voorgesteld. Door de creationistische wetenschappers
aldaar is dat voorstel aanvaard. Hoewel in het Duitse taalgebied
'Grundtyp' wordt gebruikt is de vertaling in het Nederlands
duidelijk met 'basistype' (fig. 4).

Fig. 4: Bij de basistypenbiologie gaat het
onder meer om de vraag welke groepen organismen tot de oorspronkelijk
geschapen eenheden kunnen worden gerekend.
Moleculaire evolutie
Sinds de jaren vijftig is er sinds de ontdekking van
de erfelijke code (DNA en RNA) en de opbouw van eiwitten
veel vergelijkend onderzoek naar de eiwitten gedaan om evolutionaire
|
verwantschappen beter te kunnen vaststellen.
Als er een bepaalde (aangenomen of uit veronderstelde
evolutionaire snelheden berekende) constante mutatiesnelheid
van de erfelijke code voor de aminozuurvolgorde van de eiwitten
bestaat, dan zou men het moment van afsplitsing van de ene
soortgroep van de andere kunnen bepalen. Daartoe worden
er met een computerprogramma zogenaamde 'cladogrammen' berekend
(fig. 5).

Fig. 5: Voorbeeld van een cladogram
in de moleculaire biologie. De aminozuur- samenstelling
en volgorde van Alfa-hemoglobine binnen de Vogels laat de
nauwere verwantschap zien binnen de Eendachtigen als basistype
(enige voorbeelden van boven naar beneden: Anser: gans;
Cygnus: zwaan; Anas: eend; Struthio:struisvogel; Gallus:
kip; Sturnus: merel).
Hoe meer verschil in aminozuren er in een
bepaald eiwit van verschillende organismen zit, des te minder
direct verwant ze moeten zijn en omgekeerd.
Het zal niet verbazen, dat ook de basistypenbiologie
hiermee uit de voeten kan (fig. 5). Dieren die binnen een
basistype vallen blijken duidelijk minder onderlinge verschillen
te vertonen dan met die van andere basistypen. Ook Peter
Scheele gaat hier uitgebreid op in en bevestigt eigenlijk
het basistypenconcept. Als macro-evolutie zou plaatsvinden,
dan moet dat een totale verandering van het programma van
het organisme op het moleculaire niveau laten zien. De moleculaire
biologie laat echter duidelijke grenzen tussen de typen
zien, die ook al op een andere manier zichtbaar waren. Als
echter op moleculair niveau, het niveau van de werking van
de cellen en de programma's en werkende celrobotjes (de
enzymmoleculen en organellen), in die cellen geen darwinistisch
principe als verklaring kan werken, dan is macro-evolutie
onmogelijk. Dat betekent de natuurwetenschappelijke onmogelijkheid
van de eigenlijke evolutieleer. Dat is in de kern door Scheele
duidelijk aangetoond, ondanks de vele protesten van in de
(macro-)evolutie gelovende biologen.
'Stamboom-tructuren in de tijd'
Om zich af te zetten tegen de stamboomstructuren die
de evolutionisten hanteren, en die lijken op echte bomen
met wortels in de grond, heeft Scheele de term 'basistypen'
niet willen gebruiken, omdat deze teveel een 'evolutionistische
outfit' weergeven, volgens zijn zeggen. Hij prefereert de
'horizontale' opbouw van de figuren, die beter de afname
in genetische kwaliteit in de tijd laten zien (fig. 6 en
7).

Fig. 6: Het verband tussen de verschillende
type-namen volgens P.M. Scheele. Geheel links met de meeste
oorspronkelijke genen en de meeste variatie op het moment
van de schepping: het oertype. Dit is op 100 gesteld. In
de loop van de tijd (van links naar rechts) neemt de variatie
af en ontwikkelen zich verschillende moedertypen etc. Onderlinge
kruisingen van nazaten van moedertypen zouden het hoofdtype,
genetisch het dichtst bij het oertype komend, terug kunnen
brengen (a.w.p. 180).
Daarin moet ik hem groot gelijk geven, ook
in wetenschappelijk opzicht, want zo worden processen in
de tijd altijd weergeven. De X-as als tijd-as gaat altijd
van links naar rechts en op de verticale as (Y-as) wordt
de in de tijd veranderlijke afgezet. Maar ook creationistische
voortrekkers als dr. Scherer en dr. Junker doen dat (fig.
4). Andersoortige processen worden ter onderscheiding weer
anders weergegeven (fig. 5).
'Stambomen en de geologische kolom'
Marsh en z'n navolgers hebben mogelijk dicht willen
aansluiten bij de bestaande stamboomstructuren, die als
het ware gebouwd zijn met als achtergrond de geologische
kolom. Volgens aanhangers van de evolutietheorie moeten
de oudste en primitiefste organismen in de onderste, en
dus volgens het superpositiebeginsel oudste, aardlagen zitten.
Aardlagen en hun veronderstelde miljoenen jaren ouderdom
maken een wezenlijk bestanddeel uit van de evolutie theorie.
|
n het catastrofe-submodel van het creatiemodel
hebben de aardlagen echter ook hun plaats. Fossielen daarin
zijn afkomstig van nog bestaande of uitgestorven basistypen.
Basistypenbiologen, die de tijds- en catastrofenfactor willen
inbedden in hun model, zetten de polyfyletische (d.w.z.
meer) stambomen dan ook rechtop, evenals de (monofyletische)
stamboom van de evolutietheorie rechtop staat. Dit is gedaan
met het doel om beter ingang te krijgen in het onderwijs
met de bestaande tekstboeken. Het moet gezegd: het succes
was matig, en niet nauwkeurig kijkende naturalisten meenden
alleen maar een variant van de evolutietheorie te zien.
Er valt dus wel wat te zeggen voor een horizontale (= tijd)
positie van de 'stambomen per basistype', zelfs als de aardlagen
er in betrokken moeten worden. Tegen een horizontale tijdas
kunnen ook geologische processen weergegeven worden.
Het superpositiebeginsel hoeft ook helemaal
niet voor het overgrote deel van de geologische 'kolom'
op te gaan, getuige het door Berthault uitgevoerde experiment
van het zijdelingse aangroeiingsproces van aardlagen via
sedimentrijke troebelingsstromen.
Conclusies
De degeneratietheorie, zoals geformuleerd door P. Scheele
en in beginsel onderbouwd vanuit de moleculaire biologie,
is een belangrijke aanvulling op de bestaande en ook nog
in ontwikkeling zijnde basistypenbiologie. Zijn aanvulling
bestaat vooral uit de door hem aangewezen oorzaak van ras-
en soortvorming: de afname van genetische variabiliteit
en kwaliteit van de genen op moleculair niveau, die vooral
het uiterlijk bepalen. Wat de prioriteit betreft, ook in
z'n ontwikkeling en uitwerkingen is de basistypenbiologie
naar z'n kwaliteit een belangrijke biologische theorie,
die de historiciteit van de schepping, als beschreven in
Genesis, zo goed mogelijk recht doet. De termen die Scheele
weergeeft in fig. 6 zijn zeker bruikbaar binnen het geheel
van de basistypenbiologie. Z'n degeneratietheorie als omgekeerde
these van de evolutietheorie kan een belangrijke hoeksteen
worden. Zeker als het boek Degeneratie, het einde van
de evolutietheorie, in het Engels wordt uitgegeven.
Dan kan er breder onder creationistische biologen worden
gediscussieerd en is de tijd rijp om een congres te beleggen
in internationaal verband. Dan kunnen alle termen en definities,
onderbouwd met wetenschappelijke gegevens en onderzoek onder
een duidelijke noemer worden gebracht. Dan zal de basis-typen-degeneratietheorie
een veel praktischer en bruikbaarder theorie worden. Ze
bestrijkt dan alle actuele biologie rondom het natuurbehoud,
de fok- en kweekprogramma's en de biotechnologie. Misschien
kunnen we dan vaststellen of het terugfokken van uitgestorven
soorten uit moedertypen, zoals Scheele voorspelt voor bijvoorbeeld
de quagga, gelukt is of onmogelijk blijkt. Een uitdaging
voor goed rentmeesterschap en inspiratie voor christelijke
biologen om een bijdrage te leveren aan de oplossing van
enkele van de vele problemen in de huidige werkelijkheid.

Fig. 7: Natuurlijke selectie voorkomt
te ernstige degeneratie, die maakt dat er niet meer kan
worden voortgeplant (P.M. Scheele p. 138)
Literatuuropgave:
Andrews, E.H., Gitt, W., Ouweneel, W.J., Concepts in
Creationism, Evangelical Press, Welwyn, Herts, England,
1986. De bijdragen van het Eerste Europese Creationistisch
Congres in 1984 in Heverlee, België.
Berthault, G., 'Sedimentation Experiments:
Is Extrapolation Appropriate? A Reply'. CEN Techn. Journal,
vol. 11, no 1, p.65-70, 1997 refererend aan de publ. van
Julien, Tan en Berthault in Bull. of Geol. Soc. of France,
164(5)p.649-660, 1993 Video Drama in the Rocks, Uitg.
Evang. Hogeschool.
Junker, R., Scherer, S., Entstehung und
Geschichte der Lebewesen. Weyel Lehrmittelverlag, Giessen,
1986,1988 uitgebr. 2e dr. (1e dr. besproken in B&W 104,1987).
Halthenorth, TH., e.a., Elseviers gids
van de Afrikaanse zoogdieren (1979).
Junker, R., Scherer, S., Basistypenbiologie
(1 en 2) Bijbel & Wetenschap 103, 104, 1987.
(Vertaald en bewerkt door G.J. Doekes).
Marsh, F.L., Evolution, Creation and Science.
Washington, D.C., 1947.In het Nederlands o.a. De Schepping
van de Soorten, 'De Stem der Leken', 's-Gravenhage,
(1957 1e dr) 1966.
Murris, H.R., boekbespreking van Peter M.
Scheele in Bijbel & Wetenschap nr. 201, p. 21-23
(1998)
Scheele, P.M., Degeneratie, het einde van
de evolutietheorie, Buijten & Schipperheijn, Amsterdam,
3e dr. 1998.
|