Schudden aan de stamboom van het leven

Uit: Intermediair 13 augustus 1998, nr 33

 

 

Marcel Hulspas

De traditionele manier om dieren in te delen, op basis van hun anatomie, heeft z'n beste tijd gehad. De toekomst is aan het genetisch onderzoek. Voorlopig echter zaaien DNA-onderzoekers onder taxonomen en paleontologen hoofdzakelijk verwarring en paniek.

olifant.jpg (18221 bytes)

Toon mij uw tanden, en ik zeg u waartoe gij behoort,' moet George Cuvier, grondlegger van de vergelijkende anatomie, eens hebben geroepen. Mede dankzij de veroveringen van Napoleon kon Cuvier beschikken over enorme hoeveelheden levende dieren, preparaten, skeletten en fossielen, en was hij uiteindelijk in staat om aan één tand of bot te zien om welk dier het ging, of waar het aan verwant moest zijn. Cuvier was dé autoriteit op het gebied van de taxonomie van het dierenrijk, Als hij gesproken had, was de zaak voor velen afgedaan. En eigenlijk is er sinds de dagen van Cuvier niet veel veranderd. De taxonomie is nog steeds hoofdzakelijk gebaseerd op uiterlijke kenmerken, en daarmee een zaak van traditie en ervaring - en in geval van twijfel vaak op fingerspitzengefühl en persoonlijke interpretatie. Taxonomie is een kunde met een vleugje (en soms meer dan dat) kunst.

En dat is natuurlijk niet echt een bevredigende situatie, vooral niet voor paleontologen. De verwantschappen tussen levende soorten hebben namelijk alles te maken met de ontwikkeling van het leven op aarde, en zij zouden dus graag een andere manier van indelen zien, een die niet gebaseerd is op uiterlijkheden maar die samenhangt met de evolutie van het leven. Inzicht, ervaring en intuïtie moeten plaats maken voor gen-sequencing en statistiek. De eerste resultaten van modern DNA-onderzoek hebben al geleid tot enkele forse ingrepen in de boom van het leven.

Van wal naar water

Over de grote lijnen, de indeling van het dierenrijk in stammen ('weekdieren','gewervelden', etcetera) en klassen ('zoogdieren') zijn taxonomen het altijd wel eens geweest, maar zodra het op een verdere indeling in orden ('knaagdiëren','primaten'), families ('mensapen'), geslachten (Homo) en uiteindelijk soorten (zoals Homo sapiens) aankwam, stapelt de conflictstof zich op. Welk kenmerk geeft de doorslag? Welke overeenkomsten zijn niets-, en welke veelzeggend?

Het hete hangijzer van de taxonomie is 'convergëntie', het verschijnsel dat twee volstrekt niet verwante dieren onder invloed van eenzelfde natuurlijke omgeving qua uiterlijk sterk op elkaar gaan lijken, 'convergeren'. Het bekendste voorbeeld is dat van de vis ende walvis. Wie zwemmen wil, moet over vinnen beschikken en gestroomlijnd zijn.Vandaar dat vissen vinnen hebben, en zo gemakkelijk door de vingers glippen. Vandaar ook dat walvissen (geen vissen maar zoogdieren), nadat hun voorouders voor een bestaan in zee hadden ge kozen, steeds meer op vissen zijn gaan lijken.

Nu zal geen enkele zoöloog de walvis per abuis tot de vissen rekenen - al was het maar omdat een walvis geen kieuwen heeft en nog steeds boven water adem moet halen - maar er zijn andere, veel subtielere gevallen van convergentie die voor heel wat verwarring hebben gezorgd. En soms werd pas met de komst van het DNA-onderzoek duidelijk dat biologen door convergentie om de tuin waren geleid. Maar ook als er geen vuiltje aan de lucht lijkt te zijn, kan DNA-onderzoek voor verrassingen zorgen.

Spitsmuis wordt olifant

Traditioneel worden dieren als de koe en het nijlpaard, het varken en de kameel bij elkaar gezet in de orde der 'evenhoevigen', samen (maar dan wel op enige afstand) met de walvis en de dolfijn, die rudimentaire pootresten in zich dragen. De Japanse bioloog Mitsuru Shimamura van het Tokyo Institute of Technology, toonde augustus vorig jaar in Nature, op basis van het DNA, echter aan dat de koe en het nijlpaard veel nauwerverwant zijn aan de walvis en de dolfijn dan aan het varken en de kameel. Die zeezoogdieren ontstonden blijkbaar uit de voorouders van koe en nijlpaard, lang nadat die zich van (de voorouders van) varken en de kameel hadden afgescheiden. Hoe het ook zij, de stamboom der evenhoevigen moet op de schop.

Of neem de haasachtigen, Lagomorpha, waartoe de hazen, konijnen en pikals of fluithazen

behoren. (Laatstgenoemde komen voor in Zuidoost-Europa, Azië en NoordAmerika.) De haasachtigen hebben veel weg van de gewone knaagdieren (orde Rodentia) maar bezitten een tweede, kleiner paar snijtanden in de bovenkaak en werden daarom altijd ingedeeld als een curieuze ‘onderorde' van de Rodentia. Een Israëlisch DNA-onderzoek uit januari 1996, waarbij 88 genen werden vergeleken, veroorzaakte echter een ware beestenverhuizing. De onderzoeker kwam tot de conclusie dat de Lagomorpha in de verte verwant waren aan de spitsmuizen - en dat zijn geen muizen (familie muisachtigen, orde Rodentia) maar een familie uit de orde der insekteneters, Insectivora, waartoe ook het stekelvarken en de mol behoren.

Even later 'was er paniek bij de spitsmuizen. Een familiaire aardverschuiving, alweer veroorzaakt door DNA-onderzoek. Een van hen namelijk, de olifantspitsmuis, was al geruime tijd onderwerp van discussie toen Mark Springer van de universiteit van Californië in juli 1997 (op grond van DNA-onderzoek) constateerde dat dit helemaal geen ‘echte' spitsmuis was, maar een verre verwant (what's in a name) van ... de olifanten en hun waterminnende neven de manati's (familie trichechidae, orde van de Sirenia of zeekoelen). De voorouders van de olifantspitsmuis moeten zich volgens Springer al zo'n 90 miljoen jaar geleden - tezamen met die van de olifant, de manati en het aardvarken - van de andere zoogdieren hebben afgescheiden. Een deel koos voor het water, een deel voor de bomen, een deel voor de stoffige aarde. En dankzij convergentie lijkt de één nu op een vis, terwijl een ander nu bedrieglijk veel weg heeft van een spitsmuis.

Onbetrouwbare klokken

Het zijn niet alleen de onverwacht opduikende verwantschappen die voor verwarring zorgen. De tijdstippen die genetici zoals Springer op grond van DNA-onderzoek vinden voor de momenten waarop orden of families zich afsplitsten om hun eigen (genetische) weg in te slaan, zijn minstens even choquerend.

De onderzoekers baseren zich hierbij op de 'genetische klok'. Ze nemen een zeer oud en toch redelijk scherp gedateerd paleontologisch 'beginpunt' - bijvoorbeeld de oudste aardlaag waarin naast de reptielen de eerste nog 'reptielachtige' vögels opduiken en delen het huidige aantal genetische verschillen tussen reptiel en vogel door de tijd die sindsdien verstreken is. Dit geeft een gemiddelde 'mutatiesnelheid' aan de hand waarvan andere afsplitsingen kunnen worden gedateerd. Uitgangspunt hierbij is natuurlijk wèl dat mutaties zich gedurende miljoenenjaren in ruwweg hetzelfde tempo opeenstapelen.

spitsmuis.jpg (9298 bytes)

Het is geen sterk uitgangspunt: genen muteren spontaan, maar de natuurlijke selectie straft veel van dergelijke 'fouten' weer af, wat de mutatiesnelheid verlaagt. Deze ‘selectiedruk' is echter variabel en voor ieder gen weer anders. Dus beschikt ieder gen eigenlijk over zijn eigen, variabele genetische klok. Maar door zoveel mogelijk genetisch materiaal te gebruiken en een heel oud beginpunt te kiezen, ontstaat – zo denken de onderzoekers - toch een betrouwbaar gemiddelde. En dankzij de moderne analysetechnieken kunnen ze ook steeds meer DNA bekijken en vergelijken.

Alle statistiek ten spijt hebben de onderzoekers niet kunnen voorkomen dat de met behulp van de genetische klok berekendë ouderdommen vaak niet sporen met de geologisch-paleontologische dateringen. Hun getallen zijn steevast veel groter dan die der paleontologen. Tot voor kort waren de verschillen gemakkelijk weg te masseren omdat de genetische uitkomsten nog behoorlijk onzeker waren. Maar recenter, nauwkeuriger DNA klok-onderzoek heeft daar geen verbetering in gebracht. En de DNA-onderzoekërs zijn inmiddels zelf zó zeker van hun zaak dat ze forse vraagtekens durven te zetten bij een van de bekendste paleontologische theorieën.

Een ander opmerkelijk DNA-onderzoek was dat van Sibley en Ahlquist, halverwege de jaren tachtig, onder zo'n 1.700 vogelsoorten. Zij ontdekten dat de gieren uit de nieuwe wereld eigenlijk uit de orde der roofvogels, de Falconiformes (waartoe de adelaars, valken, haviken et cetera van de oude wereld behoren), moesten worden verwijderd. De vogels hadden genetisch weinig van doen met hun op het oog verwanten in de oude wereld. Gieren uit de nieuwe wereld zijn veel nauwer verwant aan de ooievaarachtigen uit de Oude.

Onopvallende onderkruipsels

Het Krijttijdperk geldt als 'het tijdperk van de dinosauriërs'. Er was een mondialë ramp - naar verluidt veroorzaakt door een kosmische indringer - voor nodig om ruimte maken voor de zoogdieren die sindsdien nu al zo'n 65 miljoen jaar, 'heersers' over de aarde zijn. Tot aan die kosmische klap, zo hebben paleontologen altijd gedacht, hielden de zoogdieren zich koest. De klasse bestond uit een kleine groep onopvallende, spitsmuisachtige onderkruipsels, nog teklein om onder de dinovoeten verpletterd te worden. Pas nadat de dino's waren weggevaagd, grepen ze hun kans en vulden de opengevallen plekken in de ecosystemen in. Pas na die ramp, 65 miljoen jaar geleden, ontstonden de vele orden die we nu kennen.

Dat was het traditionele beeld, in ruime mate ondersteund door fossiel bewijsmateriaal. Maar het DNA vertelt nu een ander verhaal. De Nieuw Zeelandse biologen Alan Cooper en Davis Penny publiceerden in februari vorig jaar een studie - nog gebaseerd op een eenvoudige genetische klok waaruit bleek dat veel zoogdierorden al ruim vóór het verdwijnen van de dino's waren ontstaan. De bescheiden hoeveelheid zoogdierfossielen daterend van vóór de klap is echter met geen mogelijkheid in allerlei voorouders van de huidige orden in te delen, en dus maakte hun conclusie onder paleontologen weinig indruk.

In april van dit jaar publiceerden Blair, Hedges en Sudhir Kumar van de Pennsylvania State University in Nature een onderzoek met exact de zelfde conclusies, alleen veel breder van opzet - ze hadden 658 genen vergeleken bij 207 gewervelde dieren en hun genetische klok was daarmee een stuk betrouwbaarder. Hun ijkpunt was ook veel ouder en door paleontologen scherp gedateerd: het uiteenvallen van de zoogdierachtige en vogelachtige reptielenfamilies, 310 miljoen jaar geleden.

Op grond van die gegevens concludeerden ze niet alleen dat bijvoorbeeld de buideldieren twee keer zo oud zijn als tot nog toe werd gedacht (niet 93 maar ruim 170 miljoenjaar) maar ook dat alle vogel- en zoogdier-orden van ruim vóór de catastrofale Krijt-Tertiair overgang dateren. De voorouders der olifanten en manati's van 105 milioenjaar geleden, die der carnivoren 75 miljoen jaar, et cetera.

'Om gek van te worden!', zo omschreef de Amerikaanse paleontoloog Philip Gingerich het resultaat. De vooraanstaande Britse paleontoloog Michael Benton gelooft er gewoon niets van. ‘Volgens Hedges en Kumar,' briest hij in Science van 1 mei, 'moeten we tussen de dinosauriërs eenden, kippen, eekhoorns en konijnen aantreffen.' Met andere woorden: hij gelooft dat zelfs hun uitgebreide genetische klok volstrekt onbetrouwbaar is. Hij moet wel. Het is óf de genetische klok, óf de traditionelë paleontologie. Als Hedges en Kumar gelijk hebben, zit er in de fossiele vondsten een 'gat 'van zo'n 70 miljoen jaar.

Verdwenen voorouders

Zijn al die voorouders van al die zoogdierorden werkelijk over het hoofd gezien? Het lijkt onwaarschijnlijk, want temidden van de dino's duiken toch regelmatig resten van kleinere dieren (slangen, hagedissen, vogeltjes) op. En temidden van dat fossiele grut zijn primitieve zoogdieren uiterst zeldzaam. Een dergelijke vondst is nog steeds groot nieuws. Is er dan toch iets mis met die aanname dat het mutatietempo im grossen Ganzen constant is? Het probleem is vooral nijpend bij de zoogdieren - zijn zij een apart geval? Was de selectiedruk zo vlak na de Krijt-Tertiair overgang extra laag, juist omdat de aarde zo netjes schoongeveegd was van hun grootste vijanden, de dino's? Geen vijanden, dus minder natuurlijke selectie, dus meer slordige mutaties - met als ge volg dat ze nu genetisch 'ouder' lijken dan ze zijn. Het is mogelijk, maar dan is het effect van korte duur geweest. De 'jonger' uitvallende genetische dateringen (van de momenten waarop primaten en runderen ontstonden bijvoorbeeld) kloppen namelijk weer wél met het fossiele materiaal.

muis.jpg (10326 bytes)

Als de genetici hun klokken niet grondig bijstellen (en Hedges ziet geen enkele reden om dat te doen), dan zitten paleontologen met een groot probleem. Hun fraaie, in alle boeken breed uitgemeten theorie over de overname van de 'lege' aarde door het uniforme, onooglijke groepje zoogdieren (dat zich pas vanaf dat moment in allerlei richtingen ontwikkelde), zal op de helling moeten. Dan waren die zoogdiertjes al veel eerder, tussen de poten der dino's door, bezig de wereld te veroveren Maar waar zijn die pioniers dan gebleven?

 

commentaar:

Dit artikel laat zien dat het niet waar is dat de genetische stamboom 'mooi overeenkomt' met de bestaande paleontologische. Het is dus ook niet waar dat genetisch onderzoek (die van sequentie-vergelijking) de 'voorspelling die de algemene evolutie-theorie doet, bevestigt'. ALS je paleontologische data evolutionistisch interpreteert, en ALS je genetische data evolutionistisch interpreteert, dan kom je tot bovenstaand probleem. In een creatie-model waarbij op mozaïek-achtige wijze eigenschappen over de typen verdeeld zijn, bestaat het conflict niet dat er zeer ongelijke en on'verwante' typen zijn die in bepaalde kenmerken zeer sterk overeenkomen. Of je nou naar de buitenkant kijkt, of naar de binnenkant. Op dezelfde wijze heeft een boeing 747 meer overeenkomst met mijn computer - als je naar de binnenkant, de electronica kijkt - dan met mijn modelbouwvliegtuig - die geheel van hout is. Als je wilt proberen deze gegevens te gebruiken om tot een hard evolutie-afstammingsmodel te komen, dan kom je in de problemen. Als je beseft dat het eerste vliegtuig, de computer, een model-vliegtuig en een boeing 747 allemaal door menselijke geesten ontworpen zijn, waarbij de ontdekkingen van de een toegepast zijn in de ander, dan zie je dat de mens op mozaïek-achtige wijze schept. Een boeing 747 is daarom niet het resultaat van één enkele afstammingslijn vanaf het eerste vliegtuig, maar van vele ontwikkelingslijnen, die allemaal in de 747 samenkwamen tot wat het nu is. In de biologie vindt dit niet zo plaats. De zogenaamde uitvinding van de ene soort kan niet gebruikt worden in de ander, omdat er namelijk geen voortplantingsverband bestaat. In een ander type zou het wiel telkens opnieuw 'uitgevonden' moeten worden.
Liever dan accepteren dat de soorten typologisch-hiërarchisch ingedeeld moeten worden (zoals Linnaeus deed), blijft men proberen de data in een evolutionistisch model te wringen.

 

   

 

geef hier je feedback over deze pagina of op de inhoud
copyright © 1997-2003, Peter Scheele
een project van WEBinSIGHTs