Bij de Tijd

Gereformeerd magazine voor opinievorming

nr. 9, mei 1998

 

Degeneratie, het einde van de evolutietheorie

Peter Scheele's ideeën getoetst

 

1. Standpuntbepaling

Door het schrijven van zijn boek Degeneratie heeft Peter Scheele stof van de bijbel afgeblazen. En dat in een stijl die past bij zijn boek Visserslatijn (1995). Anders gezegd, Peter neemt een barrière weg die het onbekommerd lezen van de bijbel in de weg staat. Toch citeert hij in zijn Degeneratie de bijbel niet.

Ik kan me voorstellen dat bij lezers van de voorgaande passage de vraag opkomt: Hoe kan dat? Het antwoord is mijns inziens eenvoudig: het geschapene, als Gods werk, kan geen kennis opleveren die de bijbel weerspreekt. Sterker nog: 'de natuur', zoals het geschapene vaak wordt genoemd, bevestigt wat in de bijbel staat. Er is immers een duidelijke wisselwerking tussen die tweeërlei kennis: dat wat we leren uit het boek ‘van de natuur' en dat wat we leren uit de bijbel... mits we accepteren dat beide van God afkomstig zijn.

Wanneer die bereidheid er niet is, komt van een vruchtbare wisselwerking niets terecht, maar veeleer het omgekeerde.

Dr. A. Vos heeft dit helder uiteengezet in een hoofdstuk dat hij schreef in het boek Christendom onwijs? (1996) onder de titel 'Het mysterie van de schepping als bron van de wetenschap.' Aan het slot daarvan lezen we: 'Het geloof is gebaat bij een optimale integratie van alles wat we maar ontdekken kunnen.'

En nu is het frappant dat een humanistische bioloog, prof. H.C.D. de Wit, die onbevooroordeeld kennis neemt van biologische informatie in de bijbel, tot de volgende conclusie komt: 'Het bijbelse indelingsmodel (van de planten- en dierenwereld, zoals Genesis 1 dat aanbiedt, H.W) is natuurwetenschappelijk onaantastbaar' (Ontwikkelingsgeschiedenis van de biologie, deel 2b, 1988, p. 866). Deze uitspraak geldt niet alleen voor dit hoofdstuk, maar ook voor de diersystematiek die Mozes gebruikt in Leviticus 11:1-47. Die systematiek is namelijk onmiskenbaar in overeenstemming met het schema van Aristoteles en anderen, zoals dat van de Nederlander Coitier (1534-1576). Hun indelingen zijn gebaseerd op waarnemingen en onderzoek van levende dieren.

Sinds de 19e eeuw is hier echter sprake van achteruitgang, aldus de Wit. Het gedrag van dieren werd meer en meer buiten beschouwing gelaten. De biologen degradeerden zo de biologie tot een wetenschap die bijna geheel de nadruk legt op fysica, chemie en wiskunde (de Wit, p. XI).

Door deze ontwikkeling is de 'oorlog' ontstaan tussen geloof (bijbel) en natuurwetenschap. Die tegenstelling hebben we te danken aan de opkomst van de antichristelijke filosofie van de Verlichting (globaal midden 18e eeuw). De vruchtbare wisselwerking tussen biologie en bijbel is sindsdien verdwenen (Vos, p. 64). De moderne natuurwetenschap die ervoor in de plaats kwam, werd door de verlichte filosofen als hun wetenschap geclaimd terwijl tegelijkertijd God buiten beeld werd geplaatst. Zo is de tegenstelling tussen geloof en natuurwetenschap ontstaan (Vos, P. 69,70).

In de bijbel komen we die tegenstelling niet tegen, om de simpele reden dat er in de bijbelse tijden geen sprake was van de moderne natuurwetenschap. Men had er geen idee van. Daarom kunnen we aan de bijbel hierover geen vragen stellen. Moderne mensen zijn hier met ongepaste vragen en antwoorden bezig, omdat ze van God niet willen weten.

In de bijbel gaat het om een strijd op leven en dood met dat ongeloof. Daarom is het, bij een discussie over biologische kernvragen, van beslissende betekenis of de discussie wordt gevoerd met of zonder de erkenning van de bijbel als het beslissende (het allesomvattende) kader.

voorkant_s.jpg (30950 bytes)

2. Kern en opzet van Scheele’s boek: onderscheiden tussen feiten en filosofie

De hiervoor gegeven situatietekening. brengt ons bij de kern van het boek. De stellingname ten opzichte van de bijbel is van beslissende betekenis als het gaat om de waarde die aan biologische kennis wordt toegekend. Het zal duidelijk zijn dat het hier om drie mogelijkheden gaat:

De feitelijke biologische kennis wordt als zodanig gepresenteerd, zonder ze in een vooropgesteld kader te plaatsen (dat wil zeggen kennis gebaseerd op praktische ervaring).

De biologische kennis wordt bewust los van God gezien, dat wil zeggen ze wordt gebruikt in een atheïstisch kader, gewoonlijk het evolutionistische.

Biologische kennis wordt erkend als kennis van het door God geschapen en in stand gehouden leven, in een veelheid van uitingen en vormen (planten, dieren, mensen).

De opzet van Peter Scheele's aanpak is duidelijk. Hij geeft een overzicht van de huidige feitelijke kennis van de erfelijkheidsleer, kennis die niet in strijd kan zijn met de bijbel, ook al wordt dit niet vermeld. Hier tegenover plaatst hij de feiten zoals ze door de evolutionisten worden geduid, en dan toegespitst op Darwins theorie (een biofilosofie). Deze theorie overschrijdt de grenzen van de biologie, omdat ze zich niet houdt aan de waarnemingen en proeven en ze plaatst zich daarmee in een filosofisch kader. Deze theorie is aanvechtbaar, zonder dat een beroep op de bijbel behoeft te worden gedaan. Voor de toetsing ervan zijn regels nodig die een eerlijke en zakelijke discussie waarborgen. Deze gedragscode houdt, samengevat, in: wees eerlijk, correct en volledig, en geef aan waar onzekerheden een rol spelen. Scheele erkent een dergelijke code, zonder een uitgewerkte vorm te presenteren. Dat laatste deed de Freiburgse bioloog Hans Mohr (in 1981). Hij kwam tot een twaalftal regels die in een kader als randbijdrage zijn opgenomen.

Met deze 'geboden voor een wetenschappelijke ethiek' is de aanpak en het werk van Peter Scheele en dat van vakbiologen te toetsen. Scheele komt in de eerste plaats met een tweedeling van zijn studie:

Deel I: De macro-evolutie

Deze filosofie beschouwt hij als een genetische onmogelijkheid, en gaat daarbij na:

- Hoe is het zover gekomen? (o.a. de vraag: waarom is de evolutietheorie zo razend populair?)
- Wat Darwin niet wilde weten
- De mutatietheorie

Vervolgens laat hij zien dat er voor de darwinisten twee heilige krachten (mutatie en selectie) zijn, die alles tot stand hebben gebracht. Hij laat ze als personificaties functioneren en als acteurs een rol spelen in een kosmisch drama dat evolutie heet. Conclusie: er is geen macro-evolutie, maar wel variatie binnen de grenzen van de erfelijkheidsleer.

Deel II: Degeneratie

Het wetenschappelijke alternatief voor de verklaring van biologische veranderingen, waarbij aandacht wordt besteed aan: degeneratie (inteelt), creatie, variatie, typologische differentiatie, grenzen van de typen, de mens een geestelijk wezen.

Scheele is niet de eerste die de evolutietheorie wil ontkrachten, maar belangrijk is dat hij vooral nieuwe elementen aanvoert uit de erfelijkheidsleer. De behandelde stof is niet gemakkelijk en gaat uit boven het niveau van Mavo-IV. Daarom geeft de auteur allerlei aanwijzingen ten behoeve van de lezer. Zijn kritiek op de evolutietheorie is goed onderbouwd. Voor lezers die voldoende hebben aan een verkorte versie van zijn stellingname presenteert hij een acht pagina's tellende Quick Tour.

Zijn degeneratiemodel is gebaseerd op de ervaring dat erfelijke veranderingen vrijwel altijd leiden tot achteruitgang, waarbij doorgaans verlies aan genen optreedt. Variaties binnen de soort kunnen teruggevoerd worden op een oorspronkelijk zuiver type. Zo zijn ezels, zebra's en paarden terug te voeren op een oerpaard.

Hierbij zou ik op willen merken dat Duitse onderzoekers dit verschijnsel wetenschappelijk hebben onderzocht en aangetoond voor meerdere diersoorten en daarop hun basistypen-theorie hebben gebaseerd. Scheele is met deze resultaten kennelijk niet op de hoogte; in zijn bibliografie ontbreken de relevante Duitse publikaties.1. De inhoud ervan zou de basis voor zijn theorie verbreden, ook als het gaat om de afstamming van de mens. Ze stellen in de biologie argument tegenover argument. Met de uitspraak in Visie (wk 46, 9/15 nov. 97): 'Creationisten zetten hun geloofsargumenten tegenover de evolutietheorie', doet Scheele onrecht aan deze onderzoekers.2. De genoemde regels van Mohr mogen tegenover hen ook als toetssteen worden gebruikt. Maar juist dan blijkt dat hun waarnemingen en verklaringen niet strijden met het bijbelse beeld van de schepping en de geschiedenis van het geschapene; de Bijbel spreekt immers van achteruitgang ten gevolge van zonde, zondeval, vloek en van het zuchten van de hele schepping.3.

3. Discussie

Scheele bestrijdt het overschrijden van de grenzen van de biologie, waardoor ze een biofilosofie wordt, op een uitdagende, provocerende en tegelijk deskundige onderbouwende manier. Afgezien van enkele zwakke punten in zijn presentatie, heeft hij de belangrijkste bezwaren tegen het evolutionisme uitstekend onderbouwd en weergegeven.

Hij was uit op debat, en dat is hem gelukt. Het blijkt uit verschillende recenserende artikelen, waarin zowel kritiek als waardering naar voren komen. Zo is er een discussie ontbrand in Bionieuws (nrs. 14, 16 en 20 van 1997) terwijl in Intermediair de fervente atheïst Marcel Hulspas er met zijn kritiek op Scheele faliekant naast blijkt te zijn en door anderen tot de orde wordt geroepen (8, 22 en 29 jan. 1998).

Wat mij in deze discussie bijzonder aanspreekt is de bevestiging van het feit dat bij een eerlijke toetsing van de theorie aan de waarnemingen het atheïstisch filosofisch karakter ervan duidelijk aan het licht komt. Voor wie daar serieus kennis van neemt zullen evolutionistische barrières, die het onbevangen lezen van de bijbel verhinderen, verdwijnen. Een winstpunt dat perspectieven opent voor verdieping van de christelijke levensvernieuwing.

N.a.v.:
Peter M. Scheele, Degeneratie, het einde van de evolutietheorie,
Buyten en Schipperheijn, Amsterdam, 1997, 247 pp., f 39,50

H. Wiegers

 

Gedragscode voor Wetenschap

  1. Eerlijkheid
  2. Geen dogmatisme
  3. Nauwkeurigheid
  4. Fairheid
  5. Vrijheid van vooroordelen
  6. In rekening brengen van alle beschikbare informatie
  7. Voortdurende bereidheid een probleem op te lossen
  8. Symmetrische argumentatie (d.w.z. toets alternatieven t.o.v. jouw hypothese met dezelfde zorgvuldigheid)
  9. Gebruik duidelijke begrippen
  10. Formuleer nauwkeurige en controleerbare als-dan stellingen
  11. Bereidheid tot aanpassing of vervanging van theorieën als innerlijke tegenstrijdigheden opduiken of vanwege nieuwe feiten
  12. Vermijd onnodig ingewikkelde hypothesen

Hans Mohr, Freiburg 1981

commentaar:
1. De Duitse Publicaties kende ik alleen van horen zeggen, maar verder vooral van de neerslag die het gekregen heeft in het creationistische denken in Nederland, zoasl met name verwoord in artikelen uit Bijbel & Wetenschap. Daarin is de basistypenbiologie altijd nadrukkelijk naar voren gekomen. (Inmiddels heb ik de vernieuwde uitgave van de Duitsers in mijn bezit.)

2.  Ik geef toe, hun manier van werken spreekt me bijzonder aan. Het blijft zo dat het argument "De bijbel zegt dat het zo is, en daarom kunnen we de natuur alleen maar verklaren door eerst naar de bijbel te luisteren" in ruime mate gehanteerd is en nog steeds wel wordt.

3. Daar kan ik het nou van harte mee eens zijn. De bijbel en natuurwetenschap zijn twee verschillende bronnen van kennis, die elkaar niet kunnen dicteren hoe ze te werk moeten gaan. De bijbel bevat geen natuurwetenschappelijke principes en de natuurwetenschap kan naar haar aard geen kennis over God verstrekken. Wanneer echter van beide uit hetzelfde probleem benaderd wordt, het ontstaan van het leven, dan kunnen ze tot dezelfde conclusies komen. Het is alsof van twee kanten een tunnel gegraven wordt door een berg, waarbij ze elkaar in het midden precies treffen.

 

   

 

geef hier je feedback over deze pagina of op de inhoud
copyright © 1997-2003, Peter Scheele
een project van WEBinSIGHTs