| 1. Standpuntbepaling
Door het schrijven van zijn boek Degeneratie
heeft Peter Scheele stof van de bijbel afgeblazen. En
dat in een stijl die past bij zijn boek Visserslatijn
(1995). Anders gezegd, Peter neemt een barrière weg
die het onbekommerd lezen van de bijbel in de weg staat.
Toch citeert hij in zijn Degeneratie de bijbel
niet.
Ik kan me voorstellen dat bij lezers van de voorgaande
passage de vraag opkomt: Hoe kan dat? Het antwoord is
mijns inziens eenvoudig: het geschapene, als Gods werk,
kan geen kennis opleveren die de bijbel weerspreekt.
Sterker nog: 'de natuur', zoals het geschapene vaak
wordt genoemd, bevestigt wat in de bijbel staat. Er
is immers een duidelijke wisselwerking tussen die tweeërlei
kennis: dat wat we leren uit het boek van de natuur'
en dat wat we leren uit de bijbel... mits we accepteren
dat beide van God afkomstig zijn.
Wanneer die bereidheid er niet is, komt van een vruchtbare
wisselwerking niets terecht, maar veeleer het omgekeerde.
Dr. A. Vos heeft dit helder uiteengezet in een hoofdstuk
dat hij schreef in het boek Christendom onwijs?
(1996) onder de titel 'Het mysterie van de schepping
als bron van de wetenschap.' Aan het slot daarvan lezen
we: 'Het geloof is gebaat bij een optimale integratie
van alles wat we maar ontdekken kunnen.'
En nu is het frappant dat een humanistische bioloog,
prof. H.C.D. de Wit, die onbevooroordeeld kennis neemt
van biologische informatie in de bijbel, tot de volgende
conclusie komt: 'Het bijbelse indelingsmodel (van de
planten- en dierenwereld, zoals Genesis 1 dat aanbiedt,
H.W) is natuurwetenschappelijk onaantastbaar' (Ontwikkelingsgeschiedenis
van de biologie, deel 2b, 1988, p. 866). Deze uitspraak
geldt niet alleen voor dit hoofdstuk, maar ook voor
de diersystematiek die Mozes gebruikt in Leviticus 11:1-47.
Die systematiek is namelijk onmiskenbaar in overeenstemming
met het schema van Aristoteles en anderen, zoals dat
van de Nederlander Coitier (1534-1576). Hun indelingen
zijn gebaseerd op waarnemingen en onderzoek van levende
dieren.
Sinds de 19e eeuw is hier echter sprake van achteruitgang,
aldus de Wit. Het gedrag van dieren werd meer en meer
buiten beschouwing gelaten. De biologen degradeerden
zo de biologie tot een wetenschap die bijna geheel de
nadruk legt op fysica, chemie en wiskunde (de Wit, p.
XI).
Door deze ontwikkeling is de 'oorlog' ontstaan tussen
geloof (bijbel) en natuurwetenschap. Die tegenstelling
hebben we te danken aan de opkomst van de antichristelijke
filosofie van de Verlichting (globaal midden 18e eeuw).
De vruchtbare wisselwerking tussen biologie en bijbel
is sindsdien verdwenen (Vos, p. 64). De moderne natuurwetenschap
die ervoor in de plaats kwam, werd door de verlichte
filosofen als hun wetenschap geclaimd terwijl tegelijkertijd
God buiten beeld werd geplaatst. Zo is de tegenstelling
tussen geloof en natuurwetenschap ontstaan (Vos, P.
69,70).
In de bijbel komen we die tegenstelling niet tegen,
om de simpele reden dat er in de bijbelse tijden geen
sprake was van de moderne natuurwetenschap. Men had
er geen idee van. Daarom kunnen we aan de bijbel hierover
geen vragen stellen. Moderne mensen zijn hier met ongepaste
vragen en antwoorden bezig, omdat ze van God niet willen
weten.
In de bijbel gaat het om een strijd op leven en dood
met dat ongeloof. Daarom is het, bij een discussie over
biologische kernvragen, van beslissende betekenis of
de discussie wordt gevoerd met of zonder de erkenning
van de bijbel als het beslissende (het allesomvattende)
kader.
|

2. Kern en opzet van Scheeles boek: onderscheiden
tussen feiten en filosofie
De hiervoor gegeven situatietekening. brengt ons bij
de kern van het boek. De stellingname ten opzichte van
de bijbel is van beslissende betekenis als het gaat
om de waarde die aan biologische kennis wordt toegekend.
Het zal duidelijk zijn dat het hier om drie mogelijkheden
gaat:
De feitelijke biologische kennis wordt als zodanig
gepresenteerd, zonder ze in een vooropgesteld kader
te plaatsen (dat wil zeggen kennis gebaseerd op praktische
ervaring).
De biologische kennis wordt bewust los van God gezien,
dat wil zeggen ze wordt gebruikt in een atheïstisch
kader, gewoonlijk het evolutionistische.
Biologische kennis wordt erkend als kennis van het
door God geschapen en in stand gehouden leven,
in een veelheid van uitingen en vormen (planten, dieren,
mensen).
De opzet van Peter Scheele's aanpak is duidelijk. Hij
geeft een overzicht van de huidige feitelijke kennis
van de erfelijkheidsleer, kennis die niet in strijd
kan zijn met de bijbel, ook al wordt dit niet vermeld.
Hier tegenover plaatst hij de feiten zoals ze door de
evolutionisten worden geduid, en dan toegespitst op
Darwins theorie (een biofilosofie). Deze theorie overschrijdt
de grenzen van de biologie, omdat ze zich niet houdt
aan de waarnemingen en proeven en ze plaatst zich daarmee
in een filosofisch kader. Deze theorie is aanvechtbaar,
zonder dat een beroep op de bijbel behoeft te worden
gedaan. Voor de toetsing ervan zijn regels nodig die
een eerlijke en zakelijke discussie waarborgen. Deze
gedragscode houdt, samengevat, in: wees eerlijk, correct
en volledig, en geef aan waar onzekerheden een rol spelen.
Scheele erkent een dergelijke code, zonder een uitgewerkte
vorm te presenteren. Dat laatste deed de Freiburgse
bioloog Hans Mohr (in 1981). Hij kwam tot een twaalftal
regels die in een kader als randbijdrage
zijn opgenomen.
Met deze 'geboden voor een wetenschappelijke ethiek'
is de aanpak en het werk van Peter Scheele en dat van
vakbiologen te toetsen. Scheele komt in de eerste plaats
met een tweedeling van zijn studie:
Deel I: De macro-evolutie
Deze filosofie beschouwt hij als een genetische onmogelijkheid,
en gaat daarbij na:
- Hoe is het zover gekomen? (o.a. de vraag: waarom
is de evolutietheorie zo razend populair?)
- Wat Darwin niet wilde weten
- De mutatietheorie
Vervolgens laat hij zien dat er voor de darwinisten
twee heilige krachten (mutatie en selectie)
zijn, die alles tot stand hebben gebracht. Hij laat
ze als personificaties functioneren en als acteurs een
rol spelen in een kosmisch drama dat evolutie heet.
Conclusie: er is geen macro-evolutie, maar wel variatie
binnen de grenzen van de erfelijkheidsleer.
Deel II: Degeneratie
|
Het wetenschappelijke
alternatief voor de verklaring van biologische veranderingen,
waarbij aandacht wordt besteed aan: degeneratie (inteelt),
creatie, variatie, typologische differentiatie, grenzen
van de typen, de mens een geestelijk wezen.
Scheele is niet de eerste die de evolutietheorie wil
ontkrachten, maar belangrijk is dat hij vooral nieuwe
elementen aanvoert uit de erfelijkheidsleer. De behandelde
stof is niet gemakkelijk en gaat uit boven het niveau
van Mavo-IV. Daarom geeft de auteur allerlei aanwijzingen
ten behoeve van de lezer. Zijn kritiek op de evolutietheorie
is goed onderbouwd. Voor lezers die voldoende hebben
aan een verkorte versie van zijn stellingname presenteert
hij een acht pagina's tellende Quick Tour.
Zijn degeneratiemodel is gebaseerd op de ervaring dat
erfelijke veranderingen vrijwel altijd leiden tot achteruitgang,
waarbij doorgaans verlies aan genen optreedt. Variaties
binnen de soort kunnen teruggevoerd worden op een oorspronkelijk
zuiver type. Zo zijn ezels, zebra's en paarden terug
te voeren op een oerpaard.
Hierbij zou ik op willen merken dat Duitse onderzoekers
dit verschijnsel wetenschappelijk hebben onderzocht
en aangetoond voor meerdere diersoorten en daarop hun
basistypen-theorie hebben gebaseerd. Scheele is met
deze resultaten kennelijk niet op de hoogte; in zijn
bibliografie ontbreken de relevante Duitse publikaties.1.
De inhoud ervan zou de basis voor zijn theorie verbreden,
ook als het gaat om de afstamming van de mens. Ze stellen
in de biologie argument tegenover argument. Met de uitspraak
in Visie (wk 46, 9/15 nov. 97): 'Creationisten
zetten hun geloofsargumenten tegenover de evolutietheorie',
doet Scheele onrecht aan deze onderzoekers.2.
De genoemde regels van Mohr mogen tegenover hen ook
als toetssteen worden gebruikt. Maar juist dan blijkt
dat hun waarnemingen en verklaringen niet strijden met
het bijbelse beeld van de schepping en de geschiedenis
van het geschapene; de Bijbel spreekt immers van achteruitgang
ten gevolge van zonde, zondeval, vloek en van het zuchten
van de hele schepping.3.
3. Discussie
Scheele bestrijdt het overschrijden van de grenzen
van de biologie, waardoor ze een biofilosofie wordt,
op een uitdagende, provocerende en tegelijk deskundige
onderbouwende manier. Afgezien van enkele zwakke punten
in zijn presentatie, heeft hij de belangrijkste bezwaren
tegen het evolutionisme uitstekend onderbouwd en weergegeven.
Hij was uit op debat, en dat is hem gelukt. Het blijkt
uit verschillende recenserende artikelen, waarin zowel
kritiek als waardering naar voren komen. Zo is er een
discussie ontbrand in Bionieuws (nrs.
14, 16 en 20 van 1997) terwijl in Intermediair
de fervente atheïst Marcel Hulspas er met zijn kritiek
op Scheele faliekant naast blijkt te zijn en door anderen
tot de orde wordt geroepen (8,
22 en 29 jan. 1998).
Wat mij in deze discussie bijzonder aanspreekt is de
bevestiging van het feit dat bij een eerlijke toetsing
van de theorie aan de waarnemingen het atheïstisch filosofisch
karakter ervan duidelijk aan het licht komt. Voor wie
daar serieus kennis van neemt zullen evolutionistische
barrières, die het onbevangen lezen van de bijbel verhinderen,
verdwijnen. Een winstpunt dat perspectieven opent voor
verdieping van de christelijke levensvernieuwing.
N.a.v.:
Peter M. Scheele, Degeneratie, het einde van de
evolutietheorie,
Buyten en Schipperheijn, Amsterdam, 1997, 247 pp.,
f 39,50
H. Wiegers
|