| Gevoel voor symboliek
kan Peter Scheele niet ontzegd worden. Op 24 november
1997, precies 138 jaar na het verschijnen van Darwins
On the Origin of Species, komt zijn boek Degeneratie;
het einde van de evolutietheorie op de markt. Darwins
boek verscheen in een oplage van 1250 en was dezelfde
dag nog uitverkocht. Onder het motto 'Lets beat
Darwin' liet Scheele 5000 exemplaren drukken, die nog
dezelfde dag waren uitverkocht. Peter Scheele, bekend
van het EO-televisieprogramma Peter waarin hij
met willekeurige voorbijgangers in discussie gaat over
het christendom, heeft nu zijn werkterrein verlegd van
de straat naar de academische wereld. In zijn semi-wetenschappelijke
boek legt hij uit dat macro-evolutie een genetische onmogelijkheid
is. Vervolgens lanceert hij zijn alternatief voor biologische
verandering: de degeneratie theorie. Met behulp van deze
theorie wil hij afrekenen met wat hij de godloze religie
van het evolutiedenken noemt.
Evolutie vindt plaats op drie niveaus: het ontstaan
van nieuwe genen en eiwitten valt onder moleculaire
evolutie, variatie en natuurlijke selectie binnen het
individu heet micro-evolutie en toename van complexiteit
van het DNA en overgang van soorten in elkaar is macro-evolutie.
Genengroei en eiwitcreatie zijn absolute voorwaarden
voor evolutie, dus als moleculaire evolutie onmogelijk
blijkt, is macro-evolutie ook niet mogelijk. En omdat
fundamentele genetische groei op moleculair niveau onmogelijk
is, kunnen soorten niet evolueren, aldus Scheele. Hij
spuit hiervoor een hele reeks argumenten, die variëren
van kansberekening tot ingewikkelde genetische formules.
Een beknopt overzicht:
Ten eerste moet. het darwinistische verband tussen
genengroei en het ontstaan van een nieuwe eigenschap
verbroken worden. Een poolvos heeft weliswaar baat bij
een witte vacht, maar dat komt volgens Scheele omdat
deze zijn genen die voor de vachtkleur zorgen, is kwijtgeraakt.
Er vindt in dit geval selectie plaats op de afwezigheid
van (de functionaliteit van) bepaalde genen. Ook bij
Darwins voorbeelden van niet vliegende aalscholvers
en blinde Galapagos-schildpadden is er sprake van genenverlies.
Dit verlies aan genen betekent geen verslechtering in
het functioneren van een organisme..
De eiwitten die genen coderen zijn bovendien zo enorm
complex dat ze onmogelijk door toeval ontstaan kunnen
zijn. Er zijn 20 tot de macht 300 verschillende mogelijkheden
om een eiwit te maken, terwijl slechts enkele daarvan
een functioneel eiwit opleveren. Darwins oersoep kan
nog zolang geprutteld hebben voordat er bacteriën en
eencellige diertjes ontstonden, het is onmogelijk dat
dit ook maar het eenvoudigste eiwit opgeleverd heeft,
beargumenteert Scheele in een lastig kansrekeningsommetje.
Het derde argument is dat essentiële genen, dat wil
zeggen de genen die onmisbaar zijn voor levensvatbare
en vruchtbare individuen, niet kunnen evolueren. Zodra
essentiële genen namelijk hun oorspronkelijke functie
verliezen en zich al muterend veranderen, kan er geen
levensvatbaar embryo ontstaan. Zonder die functionele
genen (die bijvoorbeeld zorgen voor de zuurstoftoevoer
in het bloed) is leven immers niet mogelijk. Omdat genen,
zoals geslachtsbepalende genen, tussen niet verwante
soorten verschillen, kan er nooit trans-soortelijke
bevruchting plaatsvinden. Als essentiële genen niet
kunnen evolueren maar tussen de soorten wel blijken
te verschillen, dan kunnen deze soorten nooit gemeenschappelijke
voorouders hebben gehad.
Een bewijs voor genetische evolutie wordt vaak gezocht
in het plaatsvinden van plotselinge verdubbeling van
een gen. Als een gen zich verdubbelt, kan het tweede
gen vrij muteren, terwijl het oorspronkelijke gen zijn
originele taak
|
blijft vervullen.
Vrije mutaties leveren echter geen nieuwe genen op, omdat
zelfs een hele verandering al snel een dood gen oplevert,
zoals bij de vachtkleur van de poolvos. Bovendien is de
kans op een zinnig nieuw gen ook hier weer verwaarloosbaar,
legt een nieuw rekensommetje uit.
Kortom: macro-evolutie is genetisch onmogelijk en dat
betekent het einde van de evolutietheorie. Peter Scheele
ontkent niet dat er variatie en typologische differentiatie
is, maar stelt dat dit nooit genetische vooruitgang
kan betekenen. Elk voorbeeld van evolutie is in feite
een voorbeeld van degeneratie, van het verlies van functionele
genen.
Als genengroei dan niet door evolutie tot stand komt,
dan moeten de originele genen ontworpen zijn door een
creator. Voor Scheele is dat natuurlijk de christelijke
God, die hij, in dit boek toepasselijk, de Creator noemt,
en aan wie hij in de colofon zijn extreme dank betuigt.
Scheele stelt ook het probleem dat met het darwinisme
veroorzaakt werd aan de orde: als we allemaal dezelfde
afstamming hebben, is er dan slechts een gradueel verschil
tussen mens en dier? Mensapen en mensen verschillen
genetisch gezien slechts zo minimaal van elkaar, dat
genen nooit de enorme ontwikkelings- en niveauverschillen
tussen beiden kunnen verklaren, meent Scheele. De mens
is geest en de aap niet.
Dat Scheele erg ingenomen is met zijn publikatie, blijkt
uit alle promotie die hij eromheen bouwt. Zo toert hij
langs de Nederlandse Universiteiten waar hij in debat
gaat met het aanwezige publiek, beheert hij een eigen
internet-site met commentaar op zijn degeneratietheorie
en houdt hij geïnteresseerden op de hoogte van nieuwtjes
en relevante sites via e-maillijsten. Al deze acties
kenmerken zich door een weinig wetenschappelijke aanpak.
Zijn site onderscheidt zich van anderen door een hoge
mate van zelfverheerlijking: Scheele is misschien nog
wel het meest trots op zijn eigen portret. Je ziet zijn
hoofd op zijn internetpagina (Scheele heet u welkom),
de reclameposter (Scheele als directe erfgenaam van
Darwin), in zijn boek (Scheele met zijn kinderen op
vakantie) en op de cover van het boek (Scheele tussen
gedegenereerde dieren).
Scheeles theorie klinkt aannemelijk en de voorbeelden
die hij geeft, zoals zijn eigen poolvos en het omdraaien
van Darwins eigen voorbeelden, lijken overtuigend. De
schrijver heeft zijn betoog goed opgebouwd en heeft
grote kennis van zaken. De bladzijden staan vol met
biologisch jargon, wat maakt dat een groot gedeelte
voor een leek nauwelijks toegankelijk is. Juist het
deel dat ook voor niet-biologen te begrijpen is, staat
vol sluwe redenaties. Hier legt Scheele uit hoe de genen
werken, waar en hoe ze hun functie verliezen. Omdat
je toch al niet helemaal begrijpt hoe het nu zit met
de mutaties in het DNA, heb je niet door dat Scheele
met zijn argumentatie speelt.
Het is opvallend dat Scheele slechts één terrein van
de evolutie bespreekt, namelijk de moderne biologie.
Het lukt hem om de degeneratie overtuigend aan het licht
te brengen, maar slechts op het niveau van genenverval.
Voor de evolutie van Darwin pleit de enorme hoeveelheid
fossielen, die zich nog steeds uitbreidt. Aan de hand
van de paleontologie is een lineaire vooruitgang juist
heel verdedigbaar. In de prehistorie waren levensvormen
simpel opgebouwd, nu zitten ze veel complexer in elkaar.
Het zou verbazing wekken als de steeds complexer wordende
constructie van fossielen veroorzaakt wordt door genenverval.
Scheele wil heel graag wetenschappelijk zijn: hij doet
voorspellingen die gebruikt kunnen worden om zijn theorie
te testen, hij voegt een lijst FAQ's (Frequently Asked
Questions) toe en heeft een index en een uitgebreide
bibliografie, waar weliswaar wat EO-achtige literatuur
in voorkomt, maar waar serieus wetenschappelijk werk
de overhand heeft. Hoewel
|
Scheele zelf geen
drs. voorzijn naam heeft staan, wordt zijn boek gesteund
door een geneticus, een bioloog en een chemicus. Je kunt
je afvragen of hij deze maatregelen niet weer teniet doet
door een Quick Tour te geven voor mensen die geen
zin hebben het hele boek te lezen. Zijn flauwe grapjes
irriteren daarnaast nogal. Te pas en te onpas voegt hij
ze in en geeft als de biologische namen te ingewikkeld
dreigen te worden leuke alternatieven, zoals "Haasje-Over-Eiwit"
en "Oom Virusinvasie". Zijn voetnoten gebruikt
hij niet alleen voor verwijzingen naar andere teksten,
maar ook voor melige opmerkingen, als 'maar ik sta liever
voor aap, dan dat ik ervan afstam!' De slotakte van het
biokosmisch drama met 'de dagvaarding van Meesteroplichter
Mutatie' en een brief aan Charles Darwin geven niet echt
een gedegen en een wetenschappelijke indruk. Maar Scheele
wil zijn lezerspubliek groot houden: de geïnteresseerde
leek moet vermaakt worden en de serieuze wetenschapper
overtuigd.
Scheele beweert zich te onderscheiden van eerdere creationistische
aanvallen op de evolutietheorie door geen religieuze
of metafysische argumenten te gebruiken of met de bijbel
te zwaaien. In plaats daarvan geeft hij een theorie
die te falsificeren is en daardoor aan het popperiaanse
criterium van wetenschap voldoet. Op zijn internet-site
daagt hij mensen uit een voorstel te doen voor een proef,
die aantoont dat er genetische vooruitgang is of dat
twee verschillende soorten een gemeenschappelijke oorsprong
hebben. Deze vooruitgang mag niet te verklaren zijn
door variatie of differentiatie binnen één soort, want
het bestaan daarvan wordt door Scheele niet ontkend.
De proef moet bovendien binnen een tijdsbestek van 25
jaar uit te voeren zijn. Tot nu toe is er nog geen voorstel
ingediend. Met name deze laatste eis is bijzonder flauw,
want de evolutieleer gaat er vanuit dat zelfs kleine
veranderingen duizenden jaren in beslag nemen. Peter
Scheele gaat nog een stap verder. Hij bant het darwinisme
uit de wetenschap en geeft het de stempel pseudo-religie.
Macro-evolutie is geen wetenschap, stelt hij, want ze
is per definitie niet te bewijzen. Structurele biologische
veranderingen doen zich pas voor in een periode van
tienduizend tot tien miljoen jaar en kunnen dus nooit
worden getoetst. Scheele lijkt met deze stelling in
goed wetenschappelijk gezelschap te zijn. Wetenschapsfilosoof
Popper deed ook dergelijke uitspraken. Later is Popper
hier echter genuanceerder over gaan denken: 'I have
come to the conclusion that Darwinism is not a testable
scientific theory, but a metafysical research program
- a possible framework for testable theories.' (in Unended
Quest: an intellectual autobiography, 1976) Ook
een niet te testen theorie kan volgens de latere Popper
dus wel degelijk waarde hebben.
Peter Scheele vermeldt vrijwel nergens dat degeneratie
niet uit zijn brein ontsprongen is. Op een Macro
evolution--congres in 1980 werd al beweerd dat evolutie
op macro-niveau onmogelijk is. Michael Denton, Michael
J. Behe en James Gould plaatsten toen al grote vraagtekens
bij het evolutionisme. Hoewel hij deze schrijvers (heel
summier) aanhaalt, riekt Scheeles degeneratietheorie
naar Diekstra-achtige taferelen. Het is natuurlijk moeilijk
om één bedenker van een theorie aan te wijzen en Scheele
heeft vast veel nieuws toegevoegd in zijn boek, maar
het is de vraag hoe origineel zijn verhaal nu daadwerkelijk
is.
Scheele belicht de ontwikkeling van de organismen echter
vanuit een fascinerende invalshoek, die zeker extra
onderzoek verdient.
Maarten van Heuven & Judith Maas
Peter M. Scheele, Degeneratie; Het einde van de evolutietheorie
Buyten & Schipperheyn, Amsterdam (1 997) fl.39,50
Meer info: http://peter~insite.nl/degeneratie
|