Recensie CWS Bulletin

 

Orakel studievereniging van Cultuur- en wetenschapsstudies

mei 1998

Een biologielesje voor de liefhebber

Peter Scheele en het einde van de evolutietheorie

Darwin-Peter_5_fotos.gif (19527 bytes)

Het promotieaffiche voor zijn boek toont een fotomanipulatie waarbij Charles Darwin
in Peter Scheele verandert. Is hier sprake van ouderwetse evolutie of van degeneratie?

Gevoel voor symboliek kan Peter Scheele niet ontzegd worden. Op 24 november 1997, precies 138 jaar na het verschijnen van Darwins On the Origin of Species, komt zijn boek Degeneratie; het einde van de evolutietheorie op de markt. Darwins boek verscheen in een oplage van 1250 en was dezelfde dag nog uitverkocht. Onder het motto 'Let’s beat Darwin' liet Scheele 5000 exemplaren drukken, die nog dezelfde dag waren uitverkocht. Peter Scheele, bekend van het EO-televisieprogramma Peter waarin hij met willekeurige voorbijgangers in discussie gaat over het christendom, heeft nu zijn werkterrein verlegd van de straat naar de academische wereld. In zijn semi-wetenschappelijke boek legt hij uit dat macro-evolutie een genetische onmogelijkheid is. Vervolgens lanceert hij zijn alternatief voor biologische verandering: de degeneratie theorie. Met behulp van deze theorie wil hij afrekenen met wat hij de godloze religie van het evolutiedenken noemt.

Evolutie vindt plaats op drie niveaus: het ontstaan van nieuwe genen en eiwitten valt onder moleculaire evolutie, variatie en natuurlijke selectie binnen het individu heet micro-evolutie en toename van complexiteit van het DNA en overgang van soorten in elkaar is macro-evolutie. Genengroei en eiwitcreatie zijn absolute voorwaarden voor evolutie, dus als moleculaire evolutie onmogelijk blijkt, is macro-evolutie ook niet mogelijk. En omdat fundamentele genetische groei op moleculair niveau onmogelijk is, kunnen soorten niet evolueren, aldus Scheele. Hij spuit hiervoor een hele reeks argumenten, die variëren van kansberekening tot ingewikkelde genetische formules. Een beknopt overzicht:

Ten eerste moet. het darwinistische verband tussen genengroei en het ontstaan van een nieuwe eigenschap verbroken worden. Een poolvos heeft weliswaar baat bij een witte vacht, maar dat komt volgens Scheele omdat deze zijn genen die voor de vachtkleur zorgen, is kwijtgeraakt. Er vindt in dit geval selectie plaats op de afwezigheid van (de functionaliteit van) bepaalde genen. Ook bij Darwins voorbeelden van niet vliegende aalscholvers en blinde Galapagos-schildpadden is er sprake van genenverlies. Dit verlies aan genen betekent geen verslechtering in het functioneren van een organisme..

De eiwitten die genen coderen zijn bovendien zo enorm complex dat ze onmogelijk door toeval ontstaan kunnen zijn. Er zijn 20 tot de macht 300 verschillende mogelijkheden om een eiwit te maken, terwijl slechts enkele daarvan een functioneel eiwit opleveren. Darwins oersoep kan nog zolang geprutteld hebben voordat er bacteriën en eencellige diertjes ontstonden, het is onmogelijk dat dit ook maar het eenvoudigste eiwit opgeleverd heeft, beargumenteert Scheele in een lastig kansrekeningsommetje.

Het derde argument is dat essentiële genen, dat wil zeggen de genen die onmisbaar zijn voor levensvatbare en vruchtbare individuen, niet kunnen evolueren. Zodra essentiële genen namelijk hun oorspronkelijke functie verliezen en zich al muterend veranderen, kan er geen levensvatbaar embryo ontstaan. Zonder die functionele genen (die bijvoorbeeld zorgen voor de zuurstoftoevoer in het bloed) is leven immers niet mogelijk. Omdat genen, zoals geslachtsbepalende genen, tussen niet verwante soorten verschillen, kan er nooit trans-soortelijke bevruchting plaatsvinden. Als essentiële genen niet kunnen evolueren maar tussen de soorten wel blijken te verschillen, dan kunnen deze soorten nooit gemeenschappelijke voorouders hebben gehad.

Een bewijs voor genetische evolutie wordt vaak gezocht in het plaatsvinden van plotselinge verdubbeling van een gen. Als een gen zich verdubbelt, kan het tweede gen vrij muteren, terwijl het oorspronkelijke gen zijn originele taak

blijft vervullen. Vrije mutaties leveren echter geen nieuwe genen op, omdat zelfs een hele verandering al snel een dood gen oplevert, zoals bij de vachtkleur van de poolvos. Bovendien is de kans op een zinnig nieuw gen ook hier weer verwaarloosbaar, legt een nieuw rekensommetje uit.

Kortom: macro-evolutie is genetisch onmogelijk en dat betekent het einde van de evolutietheorie. Peter Scheele ontkent niet dat er variatie en typologische differentiatie is, maar stelt dat dit nooit genetische vooruitgang kan betekenen. Elk voorbeeld van evolutie is in feite een voorbeeld van degeneratie, van het verlies van functionele genen.

Als genengroei dan niet door evolutie tot stand komt, dan moeten de originele genen ontworpen zijn door een creator. Voor Scheele is dat natuurlijk de christelijke God, die hij, in dit boek toepasselijk, de Creator noemt, en aan wie hij in de colofon zijn extreme dank betuigt. Scheele stelt ook het probleem dat met het darwinisme veroorzaakt werd aan de orde: als we allemaal dezelfde afstamming hebben, is er dan slechts een gradueel verschil tussen mens en dier? Mensapen en mensen verschillen genetisch gezien slechts zo minimaal van elkaar, dat genen nooit de enorme ontwikkelings- en niveauverschillen tussen beiden kunnen verklaren, meent Scheele. De mens is geest en de aap niet.

Dat Scheele erg ingenomen is met zijn publikatie, blijkt uit alle promotie die hij eromheen bouwt. Zo toert hij langs de Nederlandse Universiteiten waar hij in debat gaat met het aanwezige publiek, beheert hij een eigen internet-site met commentaar op zijn degeneratietheorie en houdt hij geïnteresseerden op de hoogte van nieuwtjes en relevante sites via e-maillijsten. Al deze acties kenmerken zich door een weinig wetenschappelijke aanpak. Zijn site onderscheidt zich van anderen door een hoge mate van zelfverheerlijking: Scheele is misschien nog wel het meest trots op zijn eigen portret. Je ziet zijn hoofd op zijn internetpagina (Scheele heet u welkom), de reclameposter (Scheele als directe erfgenaam van Darwin), in zijn boek (Scheele met zijn kinderen op vakantie) en op de cover van het boek (Scheele tussen gedegenereerde dieren).

Scheeles theorie klinkt aannemelijk en de voorbeelden die hij geeft, zoals zijn eigen poolvos en het omdraaien van Darwins eigen voorbeelden, lijken overtuigend. De schrijver heeft zijn betoog goed opgebouwd en heeft grote kennis van zaken. De bladzijden staan vol met biologisch jargon, wat maakt dat een groot gedeelte voor een leek nauwelijks toegankelijk is. Juist het deel dat ook voor niet-biologen te begrijpen is, staat vol sluwe redenaties. Hier legt Scheele uit hoe de genen werken, waar en hoe ze hun functie verliezen. Omdat je toch al niet helemaal begrijpt hoe het nu zit met de mutaties in het DNA, heb je niet door dat Scheele met zijn argumentatie speelt.

Het is opvallend dat Scheele slechts één terrein van de evolutie bespreekt, namelijk de moderne biologie. Het lukt hem om de degeneratie overtuigend aan het licht te brengen, maar slechts op het niveau van genenverval. Voor de evolutie van Darwin pleit de enorme hoeveelheid fossielen, die zich nog steeds uitbreidt. Aan de hand van de paleontologie is een lineaire vooruitgang juist heel verdedigbaar. In de prehistorie waren levensvormen simpel opgebouwd, nu zitten ze veel complexer in elkaar. Het zou verbazing wekken als de steeds complexer wordende constructie van fossielen veroorzaakt wordt door genenverval.

Scheele wil heel graag wetenschappelijk zijn: hij doet voorspellingen die gebruikt kunnen worden om zijn theorie te testen, hij voegt een lijst FAQ's (Frequently Asked Questions) toe en heeft een index en een uitgebreide bibliografie, waar weliswaar wat EO-achtige literatuur in voorkomt, maar waar serieus wetenschappelijk werk de overhand heeft. Hoewel

Scheele zelf geen drs. voorzijn naam heeft staan, wordt zijn boek gesteund door een geneticus, een bioloog en een chemicus. Je kunt je afvragen of hij deze maatregelen niet weer teniet doet door een Quick Tour te geven voor mensen die geen zin hebben het hele boek te lezen. Zijn flauwe grapjes irriteren daarnaast nogal. Te pas en te onpas voegt hij ze in en geeft als de biologische namen te ingewikkeld dreigen te worden leuke alternatieven, zoals "Haasje-Over-Eiwit" en "Oom Virusinvasie". Zijn voetnoten gebruikt hij niet alleen voor verwijzingen naar andere teksten, maar ook voor melige opmerkingen, als 'maar ik sta liever voor aap, dan dat ik ervan afstam!' De slotakte van het biokosmisch drama met 'de dagvaarding van Meesteroplichter Mutatie' en een brief aan Charles Darwin geven niet echt een gedegen en een wetenschappelijke indruk. Maar Scheele wil zijn lezerspubliek groot houden: de geïnteresseerde leek moet vermaakt worden en de serieuze wetenschapper overtuigd.

Scheele beweert zich te onderscheiden van eerdere creationistische aanvallen op de evolutietheorie door geen religieuze of metafysische argumenten te gebruiken of met de bijbel te zwaaien. In plaats daarvan geeft hij een theorie die te falsificeren is en daardoor aan het popperiaanse criterium van wetenschap voldoet. Op zijn internet-site daagt hij mensen uit een voorstel te doen voor een proef, die aantoont dat er genetische vooruitgang is of dat twee verschillende soorten een gemeenschappelijke oorsprong hebben. Deze vooruitgang mag niet te verklaren zijn door variatie of differentiatie binnen één soort, want het bestaan daarvan wordt door Scheele niet ontkend. De proef moet bovendien binnen een tijdsbestek van 25 jaar uit te voeren zijn. Tot nu toe is er nog geen voorstel ingediend. Met name deze laatste eis is bijzonder flauw, want de evolutieleer gaat er vanuit dat zelfs kleine veranderingen duizenden jaren in beslag nemen. Peter Scheele gaat nog een stap verder. Hij bant het darwinisme uit de wetenschap en geeft het de stempel pseudo-religie. Macro-evolutie is geen wetenschap, stelt hij, want ze is per definitie niet te bewijzen. Structurele biologische veranderingen doen zich pas voor in een periode van tienduizend tot tien miljoen jaar en kunnen dus nooit worden getoetst. Scheele lijkt met deze stelling in goed wetenschappelijk gezelschap te zijn. Wetenschapsfilosoof Popper deed ook dergelijke uitspraken. Later is Popper hier echter genuanceerder over gaan denken: 'I have come to the conclusion that Darwinism is not a testable scientific theory, but a metafysical research program - a possible framework for testable theories.' (in Unended Quest: an intellectual autobiography, 1976) Ook een niet te testen theorie kan volgens de latere Popper dus wel degelijk waarde hebben.

Peter Scheele vermeldt vrijwel nergens dat degeneratie niet uit zijn brein ontsprongen is. Op een Macro evolution--congres in 1980 werd al beweerd dat evolutie op macro-niveau onmogelijk is. Michael Denton, Michael J. Behe en James Gould plaatsten toen al grote vraagtekens bij het evolutionisme. Hoewel hij deze schrijvers (heel summier) aanhaalt, riekt Scheeles degeneratietheorie naar Diekstra-achtige taferelen. Het is natuurlijk moeilijk om één bedenker van een theorie aan te wijzen en Scheele heeft vast veel nieuws toegevoegd in zijn boek, maar het is de vraag hoe origineel zijn verhaal nu daadwerkelijk is.

Scheele belicht de ontwikkeling van de organismen echter vanuit een fascinerende invalshoek, die zeker extra onderzoek verdient.

Maarten van Heuven & Judith Maas

Peter M. Scheele, Degeneratie; Het einde van de evolutietheorie

Buyten & Schipperheyn, Amsterdam (1 997) fl.39,50

Meer info: http://peter~insite.nl/degeneratie

commentaar:
Geen commentaar. Je komt het niet vaak tegen dat kritiek en lof elkaar enigzins in evenwicht houden in een artikel...

 

   

 

geef hier je feedback over deze pagina of op de inhoud
copyright © 1997-2003, Peter Scheele
een project van WEBinSIGHTs