Peter M. Scheele
is creationist. Hij gelooft dat elke soort apart geschapen
is door een God die hij pseudo-objectiverend Creator
noemt, en hij gebruikt alle denkbare middelen om de
lezer van de juistheid van dat oordeel te overtuigen.
Als het hem uitkomt horen wij dat Darwins ideeën
geheel nieuw waren en in strijd met alles wat zijn tijdgenoten
dachten. Maar elders vertelt hij met evenveel verve dat
Darwin helemaal niet origineel was. Evolutie was al veel
eerder geopperd, bijvoorbeeld door de Griekse filosoof
Lactantius die schreef dat mensen eerst als nomaden
in eenzaamheid in de bossen leefden en later elkaars gezelschap
zochten en een taal ontwikkelden. Een stukje verderop
lezen we dat zulke veranderingen binnen een soort helemaal
geen evolutie zijn. Kennelijk had Lactantius het niet
over evolutie, dus was hij ook geen voorloper die afbreuk
doet aan Darwins originaliteit. Die conclusie trekt Scheele
niet, en hij laat ook onvermeld dat Lactantius geen Griekse
filosoof was, maar een derde-eeuwse schrijver van christelijke
bekeringsliteratuur. Een branchegenoot dus.1.
Afbreuk doen aan Darwin is bij Scheele zowel doel als
middel. Het Darwinisme maakt zijns inziens een eind aan
onze moraal en ons geloof, en Scheele suggereert dat het
Darwin - die immers atheïst was! - daar ook om te doen
was. Dus verzwijgt hij dat Darwin eindeloos aarzelde zijn
boek te publiceren, onder andere omdat hij bang was dat
men zijn theorie op die manier zou misbruiken. Scheele
is dol op citaten. Vaak haalt hij ze van het internet
en vertaalt hij ze zelf. Zo laat hij de bioloog Ernst
Mayr in een met zorg getrimd citaat uitleggen waarom
|
(kleine - althans
dat suggereert de context) mutaties alleen maar tot hopeloze
gedrochten kunnen leiden. Die dwaze evolutionisten zeggen
dus zelf dat hun theorie niet deugt. Wat Scheele kennelijk
ontging is dat de geciteerde passage betrekking heeft
op een theorie over gróótschalige mutaties die in één
klap een compleet ander organisme zouden moeten opleveren,
een theorie waar Mayr als overtuigd darwinist weinig in
zag.
Darwin zelf wist niets van mutaties.
Hij wist zelfs niets van genen. Zijn beeld van de erfelijkheid
was dat kinderen een soort gemiddeld mengsel van hun ouders
zijn. De variatie die hij voor zijn theorie nodig had
zou door al dat gemeng snel verminderen, en dat zat hem
danig dwars. Het idee dat hij een brief van Mendel,
wiens genetica dit probleem oploste, ongeopend op
zijn bureau had liggen toen hij zijn 'Origin of Species'
schreef, doet menig darwinist nu nog tandenknarsen. Hoeveel
overtuigender zou zijn boek niet geweest zijn als hij
die brief wèl had gelezen. Maar Scheele meldt doodleuk
dat Mendels genen Darwins theorie juist ondergraven omdat
ze onveranderlijk zijn en dat Darwin, de aartsatheïst,
die brief niet opende omdat hij van een priester kwam.
Nu, dat eerste, daar zit wel iets in. Als Mendels genen
inderdaad onveranderlijk waren dan zou dat voor darwinisten
lastig zijn. Alleen, ze zijn niet onveranderlijk,
en dat weet Scheele elders in zijn boek, bijvoorbeeld
waar hij Mayr over mutaties laat schrijven, ook wel.
Nog een voorbeeld: je vindt bij planten en dieren een
heleboel manieren waarop verschillen tussen mannetjes
en vrouwtjes worden veroorzaakt. |
Ons menselijke
systeem van vrouwen met twee x-chromosomen en mannen met
een x- en een y-chromosoom is maar een van de vele mogelijkheden.
Volgens Scheele is het ondenkbaar dat een zo'n mogelijkheid
uit een andere mogelijkheid ontstaan is. En dan roept
hij retorisch uit: "Waarom lees je in hun boeken
niets over het ontstaan van dit soort zaken? ... omdat
het niet kan. Het past niet. Het gooit hun wereldbeeld
overhoop ... " Wat moet je dan als recensent, als
je net nog een leerboek vertaald hebt waarin dat soort
zaken, met een overdaad aan literatuurverwijzingen, uitgebreid
wordt besproken?
Peter M. Scheele is creationist. Net als andere creationisten
schrijft hij met een achteloos vertoon van belezenheid
over onderwerpen waar zijn beoogde publiek niets van afweet.
Hij verkoopt halve waarheden, pseudo-redeneringen en verdraaide
en uit hun context gehaalde citaten, en overgiet dat met
een sausje van popi humor, mooie plaatjes en indrukwekkende
grafieken die geen hond ooit controleert. Toch moeten
we oppassen: Scheele is geen leugenaar. Hij gelooft oprecht
wat hij schrijft. Hij maakt zelf deel uit van het ongeschoolde
publiek dat hij wil overtuigen. Hij schrijft dan ook vol
bewondering over zijn illustere voorganger dr. dr.
dr. Ouweneel (drie keer gepromoveerd op een onderwerp
dat niets met evolutie te maken had), die ook ooit even
furore maakte als wetenschappelijk creationist, en van
wie we nadien niets wetenschappelijks meer gehoord hebben.
Misschien kan de EO Scheele uitnodigen om opnieuw, en
dan nu voor de internetgeneratie, de cantates van Bach
te bespreken. Want dat deed Ouweneel prachtig.
(Bart Voorzanger)
|