Recensie WCS

tijdschrift voor wetenschap, cultuur en samenleving

mei/juni 1998

 

Halve waarheden

Peter M. Scheele is creationist. Hij gelooft dat elke soort apart geschapen is door een God die hij pseudo-objectiverend Creator noemt, en hij gebruikt alle denkbare middelen om de lezer van de juistheid van dat oordeel te overtuigen. Als het hem uitkomt horen wij dat Darwins ideeën geheel nieuw waren en in strijd met alles wat zijn tijdgenoten dachten. Maar elders vertelt hij met evenveel verve dat Darwin helemaal niet origineel was. Evolutie was al veel eerder geopperd, bijvoorbeeld door de Griekse filosoof Lactantius die schreef dat mensen eerst als nomaden in eenzaamheid in de bossen leefden en later elkaars gezelschap zochten en een taal ontwikkelden. Een stukje verderop lezen we dat zulke veranderingen binnen een soort helemaal geen evolutie zijn. Kennelijk had Lactantius het niet over evolutie, dus was hij ook geen voorloper die afbreuk doet aan Darwins originaliteit. Die conclusie trekt Scheele niet, en hij laat ook onvermeld dat Lactantius geen Griekse filosoof was, maar een derde-eeuwse schrijver van christelijke bekeringsliteratuur. Een branchegenoot dus.1.
Afbreuk doen aan Darwin is bij Scheele zowel doel als middel. Het Darwinisme maakt zijns inziens een eind aan onze moraal en ons geloof, en Scheele suggereert dat het Darwin - die immers atheïst was! - daar ook om te doen was. Dus verzwijgt hij dat Darwin eindeloos aarzelde zijn boek te publiceren, onder andere omdat hij bang was dat men zijn theorie op die manier zou misbruiken. Scheele is dol op citaten. Vaak haalt hij ze van het internet en vertaalt hij ze zelf. Zo laat hij de bioloog Ernst Mayr in een met zorg getrimd citaat uitleggen waarom
(kleine - althans dat suggereert de context) mutaties alleen maar tot hopeloze gedrochten kunnen leiden. Die dwaze evolutionisten zeggen dus zelf dat hun theorie niet deugt. Wat Scheele kennelijk ontging is dat de geciteerde passage betrekking heeft op een theorie over gróótschalige mutaties die in één klap een compleet ander organisme zouden moeten opleveren, een theorie waar Mayr als overtuigd darwinist weinig in zag.
Darwin zelf wist niets van mutaties.
Hij wist zelfs niets van genen. Zijn beeld van de erfelijkheid was dat kinderen een soort gemiddeld mengsel van hun ouders zijn. De variatie die hij voor zijn theorie nodig had zou door al dat gemeng snel verminderen, en dat zat hem danig dwars. Het idee dat hij een brief van Mendel, wiens genetica dit probleem oploste, ongeopend op zijn bureau had liggen toen hij zijn 'Origin of Species' schreef, doet menig darwinist nu nog tandenknarsen. Hoeveel overtuigender zou zijn boek niet geweest zijn als hij die brief wèl had gelezen. Maar Scheele meldt doodleuk dat Mendels genen Darwins theorie juist ondergraven omdat ze onveranderlijk zijn en dat Darwin, de aartsatheïst, die brief niet opende omdat hij van een priester kwam. Nu, dat eerste, daar zit wel iets in. Als Mendels genen inderdaad onveranderlijk waren dan zou dat voor darwinisten lastig zijn. Alleen, ze zijn niet onveranderlijk, en dat weet Scheele elders in zijn boek, bijvoorbeeld waar hij Mayr over mutaties laat schrijven, ook wel.
Nog een voorbeeld: je vindt bij planten en dieren een heleboel manieren waarop verschillen tussen mannetjes en vrouwtjes worden veroorzaakt.
Ons menselijke systeem van vrouwen met twee x-chromosomen en mannen met een x- en een y-chromosoom is maar een van de vele mogelijkheden. Volgens Scheele is het ondenkbaar dat een zo'n mogelijkheid uit een andere mogelijkheid ontstaan is. En dan roept hij retorisch uit: "Waarom lees je in hun boeken niets over het ontstaan van dit soort zaken? ... omdat het niet kan. Het past niet. Het gooit hun wereldbeeld overhoop ... " Wat moet je dan als recensent, als je net nog een leerboek vertaald hebt waarin dat soort zaken, met een overdaad aan literatuurverwijzingen, uitgebreid wordt besproken?
Peter M. Scheele is creationist. Net als andere creationisten schrijft hij met een achteloos vertoon van belezenheid over onderwerpen waar zijn beoogde publiek niets van afweet. Hij verkoopt halve waarheden, pseudo-redeneringen en verdraaide en uit hun context gehaalde citaten, en overgiet dat met een sausje van popi humor, mooie plaatjes en indrukwekkende grafieken die geen hond ooit controleert. Toch moeten we oppassen: Scheele is geen leugenaar. Hij gelooft oprecht wat hij schrijft. Hij maakt zelf deel uit van het ongeschoolde publiek dat hij wil overtuigen. Hij schrijft dan ook vol bewondering over zijn illustere voorganger dr. dr. dr. Ouweneel (drie keer gepromoveerd op een onderwerp dat niets met evolutie te maken had), die ook ooit even furore maakte als wetenschappelijk creationist, en van wie we nadien niets wetenschappelijks meer gehoord hebben. Misschien kan de EO Scheele uitnodigen om opnieuw, en dan nu voor de internetgeneratie, de cantates van Bach te bespreken. Want dat deed Ouweneel prachtig.

(Bart Voorzanger)

commentaar:
1. Aan dit soort dingetjes zie je hoe goed iemand leest. Lactantius schreef over anderen (die Griekse filosofen) dat ze dat leerden op een manier die duidelijk maakt dat hij het belachelijk vindt. Bart Voorzanger leest (bewust) verkeerd met het doel af te kraken.

Voor de rest, laat maar...

 

   

 

geef hier je feedback over deze pagina of op de inhoud
copyright © 1997-2003, Peter Scheele
een project van WEBinSIGHTs