Artikel Hervormd Nederland

11 april 1998

 

‘Het oog bezorgt mij koude rillingen’

Zie ook dit artikel

Volgens de bekende zoöloog en paleontoloog Stephen Jay Gould ligt de kern van Darwins theorie in diens bewering dat natuurlijke selectie de enige creatieve kracht achter het evolutieproces is. Die bewering is volgens Gould alleen houdbaar indien mutaties in genetisch materiaal volkomen toevallig plaats hebben en slechts kleine veranderingen teweeg brengen. Met andere woorden: natuurlijke selectie is niet de creatieve kracht achter de evolutie, indien de mutaties zelf al het creatieve beginsel vertegenwoordigen; hetzij doordat ze een voorkeursrichting naar betere aanpassing aan de omgeving vertonen, hetzij doordat ze met kleine stapjes al sprongsgewijze veranderingen in de soort kunnen bewerkstelligen. De grote vraag is: waaruit blijkt dat de natuurlijke selectie zo creatief is dat zij niet enkel kneusjes uit de weg ruimt, maar ook echte veranderingen in diersoorten teweeg kan brengen?
Darwins zienswijze houdt in, dat de ene soort zich langs de weg der geleidelijkheid uit de andere soort heeft ontwikkeld. Hiervan ontbreekt tot nog toe in het fossiele bodemarchief elk spoor. De fossielen die in de aardbodem worden gevonden, laten enkel sprongsgewijze veranderingen zien en dat was juist niet de bedoeling van Darwin. Want die meende, in The Origin of species: 'Als je toegeeft dat sprongsgewijze veranderingen mogelijk zijn, treed je, zo schijnt het mij toe, het gebied van het mirakel binnen en verlaat je dat van de wetenschap.'
Opvallend is dat Darwin zelf hier een tegenstelling ervaart tussen wetenschap en geloof: sprongsgewijze veranderingen zouden het bewijs kunnen zijn dat God creatief ingrijpt in de evolutie. Darwin had moeite met zijn eigen geloof dat een orgaan als het oog zo perfect gevormd zou kunnen zijn door natuurlijke selectie. In een brief schreef hij: 'Het oog bezorgt mij koude rillingen.'
Omgekeerd zou de afwezigheid van zulke sprongen de definitieve nekslag voor goddelijke bemoeienis met de wereld kunnen zijn. Volgens de natuurkundige Arie van den Beukel maken zowel darwinisten als creationisten zich schuldig aan deze door Darwin gelanceerde tegenstelling tussen mirakel en wetenschappelijk feit. In zijn boek Met andere ogen stelt hij dat het om een vals dilemma gaat. Als het darwinisme geen overtuigend antwoord op de vraag naar het waarom van de sprongen in de evolutie weet te geven, ontleent Van den Beukel 'daaraan niet een triomfantelijk bewijs voor het bestaan van God.' Het fundamentele probleem lijkt te zijn dat biologen zich geen sprongsgewijze veranderingen kunnen voorstellen. Dit in tegenstelling tot de fysici die in hun kwantumfysica al sinds 1926 succesvol met discontinue overgangen in atomaire processen omgaan. Hoe krijgen de fysici dat voor elkaar? Het blijkt dat zij in hun benadering van de materiële werkelijkheid uitgaan van twee voorstellingen die elkaar wederzijds uitsluiten. Aan de ene kant vormen atomen volgens hen een golf- of trillingsverschijnsel. Dit verklaart dat atomen sprongsgewijs van de ene trillingstoestand in de andere kunnen overgaan.
Tegelijkertijd bestaan atomen uit elementaire deeltjes die zich in onze voorstellingswereld alleen maar continu van de ene plaats naar de andere kunnen bewegen. Het is onmogelijk golf- en deeltjesaspect in één aanschouwelijk beeld te verenigen. De poging deeltjes in een atoom experimenteel waar te nemen, vernietigt trouwens het golfkarakter van een atoom.
Als de wetenschap van de dode materie al zulke paradoxale beschrijvingen hanteert, waarom blijven biologen dan vasthouden aan een simplistische voorstelling van de evolutie van het leven?
Misschien kan het antwoord op deze vraag gevonden worden in het proefschrift The sceptical biologist dat Bas Jongeling enkele jaren geleden aan de Vrije Universiteit verdedigde. Hierin stelt hij, dat biologische theorieën een ander karakter hebben dan fysische. Ze zouden geen verklarend karakter hebben en beter als een metafysisch kader voor onderzoek beschouwd kunnen worden. In het bijzonder meent hij dat de evolutietheorie van Darwin een theorie zonder empirische inhoud is. Ze stelt eenvoudig, dat de evolutie langs de weg van de geleidelijkheid verloopt, omdat een andere weg vooralsnog ondenkbaar is.
Verder meent Jongeling dat het principe van natuurlijke selectie een tautologie is. Dit principe stelt namelijk dat soorten die zich het succesvolst voortplanten het best aan hun omgeving zijn aangepast (de survival of the fittest). Maar het is biologen nooit gelukt het begrip fitness zo te definiëren dat het losstaat van voortplantingssucces. Jongeling: 'Dat betekent dat het principe der natuurlijke selectie noodzakelijk waar is.' De mutatie met de meeste nakomelingen is per definitie het best aangepast aan zijn omgeving.
Geen wonder dat Arie van den Beukel geen goed woord over heeft voor de wijze waarop biologen zichzelf voor de gek houden. Zelf acht hij de tijd rijp voor een revolutie in de biologie: 'Na Marx loopt nu ook Darwin op zijn laatste benen. Wat de op handen zijnde revolutie ook mag brengen, het kan alleen maar vooruitgang betekenen. Wie weet krijgt de biologie weer een menselijk gezicht. Misschien wordt het wel iets dat hoop geeft, dat alles betekenis verleent of in ieder geval minder banaal maakt.' Dat laatste zou al een grote sprong voorwaarts zijn. De 21ste eeuw lijkt me, hoewel rijkelijk laat, een mooi moment om opnieuw te beginnen.

Herbert van Erkelens


commentaar:

 

   

 

geef hier je feedback over deze pagina of op de inhoud
copyright © 1997-2003, Peter Scheele
een project van WEBinSIGHTs