Volgens de bekende
zoöloog en paleontoloog Stephen Jay Gould ligt de kern van
Darwins theorie in diens bewering dat natuurlijke selectie
de enige creatieve kracht achter het evolutieproces is.
Die bewering is volgens Gould alleen houdbaar indien mutaties
in genetisch materiaal volkomen toevallig plaats hebben
en slechts kleine veranderingen teweeg brengen. Met andere
woorden: natuurlijke selectie is niet de creatieve kracht
achter de evolutie, indien de mutaties zelf al het creatieve
beginsel vertegenwoordigen; hetzij doordat ze een voorkeursrichting
naar betere aanpassing aan de omgeving vertonen, hetzij
doordat ze met kleine stapjes al sprongsgewijze veranderingen
in de soort kunnen bewerkstelligen. De grote vraag is: waaruit
blijkt dat de natuurlijke selectie zo creatief is dat zij
niet enkel kneusjes uit de weg ruimt, maar ook echte veranderingen
in diersoorten teweeg kan brengen?
Darwins zienswijze houdt in, dat de ene soort zich langs
de weg der geleidelijkheid uit de andere soort heeft ontwikkeld.
Hiervan ontbreekt tot nog toe in het fossiele bodemarchief
elk spoor. De fossielen die in de aardbodem worden gevonden,
laten enkel sprongsgewijze veranderingen zien en dat was
juist niet de bedoeling van Darwin. Want die meende, in
The Origin of species: 'Als je toegeeft dat sprongsgewijze
veranderingen mogelijk zijn, treed je, zo schijnt het mij
toe, het gebied van het mirakel binnen en verlaat je dat
van de wetenschap.'
Opvallend is dat Darwin zelf hier een tegenstelling ervaart
tussen wetenschap en geloof: sprongsgewijze veranderingen
zouden het bewijs kunnen zijn dat God creatief ingrijpt
in de evolutie. Darwin had moeite met zijn eigen geloof
dat een orgaan als het oog zo perfect gevormd zou kunnen
zijn door natuurlijke selectie. In een brief schreef hij:
'Het oog bezorgt mij koude rillingen.' |
Omgekeerd zou de
afwezigheid van zulke sprongen de definitieve nekslag voor
goddelijke bemoeienis met de wereld kunnen zijn. Volgens
de natuurkundige Arie van den Beukel maken zowel darwinisten
als creationisten zich schuldig aan deze door Darwin gelanceerde
tegenstelling tussen mirakel en wetenschappelijk feit. In
zijn boek Met andere ogen stelt hij dat het om een
vals dilemma gaat. Als het darwinisme geen overtuigend antwoord
op de vraag naar het waarom van de sprongen in de evolutie
weet te geven, ontleent Van den Beukel 'daaraan niet een
triomfantelijk bewijs voor het bestaan van God.' Het fundamentele
probleem lijkt te zijn dat biologen zich geen sprongsgewijze
veranderingen kunnen voorstellen. Dit in tegenstelling tot
de fysici die in hun kwantumfysica al sinds 1926 succesvol
met discontinue overgangen in atomaire processen omgaan.
Hoe krijgen de fysici dat voor elkaar? Het blijkt dat zij
in hun benadering van de materiële werkelijkheid uitgaan
van twee voorstellingen die elkaar wederzijds uitsluiten.
Aan de ene kant vormen atomen volgens hen een golf- of trillingsverschijnsel.
Dit verklaart dat atomen sprongsgewijs van de ene trillingstoestand
in de andere kunnen overgaan.
Tegelijkertijd bestaan atomen uit elementaire deeltjes die
zich in onze voorstellingswereld alleen maar continu van
de ene plaats naar de andere kunnen bewegen. Het is onmogelijk
golf- en deeltjesaspect in één aanschouwelijk beeld te verenigen.
De poging deeltjes in een atoom experimenteel waar te nemen,
vernietigt trouwens het golfkarakter van een atoom.
Als de wetenschap van de dode materie al zulke paradoxale
beschrijvingen hanteert, waarom blijven biologen dan vasthouden
aan een simplistische voorstelling van de evolutie van het
leven? |
Misschien kan het
antwoord op deze vraag gevonden worden in het proefschrift
The sceptical biologist dat Bas Jongeling enkele
jaren geleden aan de Vrije Universiteit verdedigde. Hierin
stelt hij, dat biologische theorieën een ander karakter
hebben dan fysische. Ze zouden geen verklarend karakter
hebben en beter als een metafysisch kader voor onderzoek
beschouwd kunnen worden. In het bijzonder meent hij dat
de evolutietheorie van Darwin een theorie zonder empirische
inhoud is. Ze stelt eenvoudig, dat de evolutie langs de
weg van de geleidelijkheid verloopt, omdat een andere weg
vooralsnog ondenkbaar is.
Verder meent Jongeling dat het principe van natuurlijke
selectie een tautologie is. Dit principe stelt namelijk
dat soorten die zich het succesvolst voortplanten het best
aan hun omgeving zijn aangepast (de survival of the fittest).
Maar het is biologen nooit gelukt het begrip fitness
zo te definiëren dat het losstaat van voortplantingssucces.
Jongeling: 'Dat betekent dat het principe der natuurlijke
selectie noodzakelijk waar is.' De mutatie met de meeste
nakomelingen is per definitie het best aangepast aan zijn
omgeving.
Geen wonder dat Arie van den Beukel geen goed woord over
heeft voor de wijze waarop biologen zichzelf voor de gek
houden. Zelf acht hij de tijd rijp voor een revolutie in
de biologie: 'Na Marx loopt nu ook Darwin op zijn laatste
benen. Wat de op handen zijnde revolutie ook mag brengen,
het kan alleen maar vooruitgang betekenen. Wie weet krijgt
de biologie weer een menselijk gezicht. Misschien wordt
het wel iets dat hoop geeft, dat alles betekenis verleent
of in ieder geval minder banaal maakt.' Dat laatste zou
al een grote sprong voorwaarts zijn. De 21ste eeuw lijkt
me, hoewel rijkelijk laat, een mooi moment om opnieuw te
beginnen.
Herbert van Erkelens
|