Charles Darwin (1809-1882)
In het deze week geopende Leidse museum Naturalis
wordt de evolutie van uiterst primitieve eencelligen
via vissen tot mens gereconstrueerd, compleet met missing
links tussen aap en mens. Via allerlei tussenstadia
kwamen de gewervelde dieren - zoogdieren, apen en tenslotte
de mens - tot ontwikkeling. In natuurhistorische musea
waar ook ter wereld is altijd vooruitgang.
Toch leert de moderne biologie dat de complexiteit van
het leven op aarde weliswaar geleidelijk toeneemt, maar
ook dat dat lang niet altijd het geval is. Waarom zouden
de nu levende dieren over een vernuftiger organisme
beschikken dan de dinosauriërs van honderd miljoen jaar
geleden? En waarom zou een aardvarken 'beter' of 'verder'
zijn dan een vis of een slak? De evolutie, zegt deze
wetenschap met Charles Darwin, kent doel noch richting.
Maar dat wil niet zeggen dat biologen en verwante
wetenschappers zich in dit feit schikken. De afgelopen
twintig jaar is de evolutietheorie dankzij het vooruitgangsgeloof
als een soort seculiere religie gaan functioneren. Door
haar verklarende kracht, haar grote eenvoud en haar
elegantie zou ze voor velen in het Westen zelfs een
alternatief voor het christendom zijn geworden. De Britse
wetenschapsfilosoof Michael Ruse merkte drie jaar geleden
in zijn boek Monad to man, the concept of
progress in evolutionary biology op, dat de evolutietheorie
geen belangeloos objectief verslag van het verleden
meer is, maar het verhaal is geworden over het ontstaan
van de mens. 'Van de blanke, protestantse, Engelssprekende
man, om precies te zijn.'
Superieur
De evolutietheorie volgens Darwin wordt in brede kringen
omarmd. Niet alleen omdat men van mening is, dat er
geen alternatief voor bestaat, maar meer nog omdat men
ervan uitgaat dat de mens en zijn gedrag alleen kunnen
worden begrepen door naar zijn evolutionaire geschiedenis
te kijken. Ons gedrag zou tot op grote hoogte worden
bepaald door ons verleden. De verschillen tussen man
en vrouw, oorlog, seks, macht, hebzucht, alles zou
door miljoenen jaren evolutie in onze zelfzuchtige genen
zijn gebeiteld.
In de hoogtijdagen van de 'maakbare samenleving', de
jaren zeventig, leidde deze biologische verklaring van
de mens nog tot een bikkelhard debat met marxisten.
Maar sinds die praktisch zijn uitgestorven, bezien steeds
meer psychologen, sociologen, cultureel antropologen,
geologen, embryologen, astronomen hun onderzoeksobject
tegenwoordig vanuit evolutionair perspectief. De filosoof
Paul Cliteur schreef onlangs in Trouw zelfs,
dat hij hoopt en gelooft dat het darwinisme over enige
tijd het christendom heeft vervangen als dominante levensbeschouwing.
Hij meent, dat het levensbeschouwelijk darwinisme in
moreel opzicht superieur is aan de grote wereldgodsdiensten.
Darwin immers plaatste de mens tussen de dieren en daaruit
zou voortvloeien dat dieren gelijk zijn aan mensen.
Mensen zouden dieren dus niet meer mogen gebruiken voor
menselijke doeleinden, laat staan dieren op een schandalige
manier behandelen zoals in de bio-industrie gebeurt.
Op grond van die verdienste zou Darwin volgens Cliteur
thuishoren in het rijtje waarin ook Boeddha, Jezus en
Mohammed voorkomen.
Vrijheid
Hoezeer het evolutionisme de westerse cultuur in zijn
greep heeft, valt te lezen in het onlangs verschenen
bock Degeneratie, het einde van de evolutietheorie
en een wetenschappelijk alternatief van Peter
M. Scheele (uitgave Buijten en Schipperheijn, prijs
f 39,50). De auteur stelt dat de evolutietheorie tot
stand is gekomen volgens de volgende redenering:
|
In de levende
natuur zien we spontane variatie. Dat gaat oneindig door.
De soorten zelf zijn (dus) uit elkaar ontstaan of uit
gemeenschappelijke voorouders. Daar zit een stijgende
lijn in, van eenvoudig naar complex. Het moet dus wel
met een eencellige zijn begonnen. Dat zou alleen maar
kunnen als er ongelooflijk veel tijd mee gemoeid is. Dat
moet dan dus wel. Er is ongelooflijk veel tijd mee gemoeid.
Er is evolutie. Alle andere zaken moeten we dus in evolutionistisch
perspectief zien.
Darwins theorie werd in het Westen met open armen ontvangen
omdat in zijn tijd vrijwel alle natuurwetenschappers er
van uit gingen dat er weinig tot geen variatie in de natuur
voorkwam of mogelijk was. Darwin bewees het tegendeel
en alle theorieën van zijn tijd waren daarom niet meer
vol te houden. Voor het eerst in de geschiedenis werd
het mogelijk om ongeloof of atheïsme te onderbouwen. Karl
Marx greep Darwins boek The origin of species
met beide handen aan, omdat zijn ideeën over de strijd
tussen de klassen perfect overeen kwamen met Darwins concept
van struggle for life. En het liberalisme kon Darwins
ideeën goed gebruiken als ze werden toegepast op de economie:
laat de economie haar gang maar gaan, zij regelt net als
de natuur haar zaakjes zelf, en de best toegeruste zal
winnen in de concurrentiestrijd.
In Darwins tijd ontstond ook ons huidige politieke bestel:
uit de idee dat alle mensen gelijkwaardig aan elkaar zijn,
maar niet gelijk, vloeide onmiddellijk partijvorming voort.
Politieke partijen zijn darwinistisch: ze bestrijden elkaar
in de strijd om het (politieke) bestaan.
Omdat Darwins ideeën van pas komen op veel gebieden, vertellen
vrijwel alle (populair-)wetenschappelijke boeken en tijdschriften
van dit moment niets anders dan de evolutietheorie. Voor
creationistische ideeën over de oorsprong van aarde en
mens, al of niet op theologische grondslag, is geen plaats
meer. De evolutietheorie is de enige serieuze verklaring.
Ze is vooral populair omdat ze de mens vrijheid geeft,
in het bijzonder morele vrijheid.
Scheele is geen bioloog en zelfs geen wetenschapper en
dat maakt dit boek zo frappant. Na zijn vwo studeerde
hij twee jaar elektrotechniek aan de TU Eindhoven, deed
vervangende dienstplicht en kwam via Youth for Christ
terecht op een bijbelschool in België. Voor de Evangelische
Omroep maakte hij in 1996 het programma De bushalte,
waarin jongeren discussieerden over vragen rond leven,
dood en seks. Wat hem daarbij opviel, was hoe sterk de
evolutietheorie het leven van jongeren beïnvloedt. Scheele:
'Veel jongeren leven met het door de evolutietheorie gereduceerde
beeld van de mens als een complexe biochemisch-genetische
levensvorm, wiens leven eindigt bij de dood. Objectief
gezien heeft het leven geen zin, en seks is alleen maar
fysiek, lichamelijk, dierlijk. Er is ook geen behoefte
meer om aan iets anders te geloven, omdat de evolutietheorie
immers het ontstaan van materie, ruimte, tijd, het leven,
de soorten, de mens, alles verklaart. Daardoor geeft ze
ook zo veel bevrediging.'
Het fascineerde hem zo, dat hij boeken over de evolutieleer
begon te lezen. Gaandeweg kreeg hij de indruk, dat veel
wetenschappers bun wetenschap misbruiken om hun atheïsme
aan anderen op te dringen. Ook signaleerde hij veel wrok
tegen het Christendom.
Hij besloot zelf een boek over het darwinisme te schrijven,
als 'tegenhanger' van Darwins hoofdwerk The origin
of species. Bij het schrijven liet hij zich bijstaan
door een chemicus, een bioloog, een socioloog en een geneticus.
Als hij een hoofdstuk af had, zette hij het op Internet
om reacties los te krijgen. Sinds het boek vorig najaar
verscheen, zijn er in korte tijd 10.000 exemplaren van
verkocht. Het blad Bionieuws, vakblad voor biologen,
besteedde er aandacht aan, maar een positieve recensie
werd door de redactie niet geplaatst, volgens Scheele
omdat in het boek 'dingen staan die de meeste biologen
niet willen horen'. Hij heeft vernomen dat het blad binnenkort
wel een negatieve recensie zal publiceren. 'Daarna', zegt
Scheele, 'kunnen ze in biologenland weer rustig gaan slapen.' |
'Universeel
veld'
Critici van de evolutietheorie stellen dat het darwinisme
de mens heeft gereduceerd tot een verzameling biochemische
materie. Het gevolg is, dat de 'exacte' wetenschap die
achter de evolutieleer zit, alleen maar materie onderzoekt,
niet de geest. Die is immers niet in formules te vangen
en bestaat dus niet als waarneembare entiteit. Voor het
gemak van de wetenschapper wordt de geest dan ook maar
naar een gebied verwezen dat buiten de wetenschap ligt.
Zo hebben we ons zelf geleerd puur materialistisch te
denken.
Een tweede gevolg zijn de simpele maar veel gehoorde populaire
uitspraken in de trant van 'Wij mensen zijn genetisch
voor 99 procent gelijk aan de apen', die in ieder geval
niet worden gedaan op basis van een vergelijking van basenparen.
Het totale menselijk genoom is nog niet eens in kaart
gebracht, laat staan dat van chimpansees. Het is dus maar
natte-vingerwerk.
Niet vanuit de biologie, maar vanuit de deeltjesfysica
is de laatste jaren de theorie in opmars dat bewustzijn
('geest') en materie afzonderlijke grootheden zijn die
onder dezelfde noemer vallen. De fysicus Gerrit Teule
stelt in zijn boek De eeuwige dans, een creatieve
speurtocht naar evolutie en bewustzijn (uitgave Servo)
dat evolutie niet alleen maar verloopt via een reeks van
materiële toevalligheden en de selectie van de meest aangepaste.
Het toeval van de evolutie wordt volgens hem geleid door
'ontelbaar veel sturende en experimentele intelligenties.'
Deze 'eonen', elektrische deeltjes, zijn de dragers van
onze geest en vormen de grondstof voor ons bewustzijn.
Ze houden hun ervaringen vast gedurende de eeuwigheid
en gebruiken die weer 'bij elke volgende incarnatie'.
De oudste en verst ontwikkelde eonen zijn ontstaan tijdens
de oerknal, het begin van het heelal en vormen sindsdien
de stuwende kracht achter de evolutie. Ze vormen de regulerende
en inspirerende levenskracht, 'de basis van alle materie
en leven.' Eonen zijn onverwoestbaar en eeuwig.
Volgens de evolutietheorie van Darwin worden lichaamsstructuren
en leerervaringen in principe overgebracht via de ei-
en zaadcellen, in het bijzonder via de genen. Sommige
deeltjesfysici beginnen te geloven dat de ervaringen die
een mens gedurende zijn leven na de conceptie doormaakt,
via eonen deel gaan uitmaken van de menselijke cel. Eonen
bewaren en ordenen in zich alle informatie die voor het
structureren van levende cellen en lichamen nodig is.
Veel informatie wordt voor 'dagelijks gebruik' vastgelegd
in DNA-moleculen, die daarna in het lichaam worden gebruikt
als 'bouwtekeningen' bij de constructie van celstructuren
en vormen.
Eonen, zegt Teule, creëren variatie en zorgen voor het
juiste milieu om al deze variaties te laten groeien. 'Ze
sturen en bezielen de levende cellen in een uiterst fijnzinnig
evenwicht, waarvoor we geen instrumenten hebben om het
te kunnen meten. Bij gevolg weten en begrijpen de biowetenschappen
nog niets van dit informatieverwerkende systeem, dat 'de
drijvende kracht is achter elke evolutie en qua snelheid,
nauwkeurigheid en geheugenruimte de meest geavanceerde
computersystemen die er tot op heden zijn gebouwd, overtreffen.'
In zijn onlangs verschenen boek Play and evolution
(uitgave Jan van Arkel) komt de Leidse etholoog Koenraad
Kortmulder tot een soortgelijke redenering: alles wat
bestaat, stoffelijk of onstoffelijk (in de vorm van bewustzijnsverschijnselen
ofwel 'gedrag') maakt deel uit van een universeel
veld'. Hij suggereert dat het darwinistische wereld- en
mensbeeld niet meer voldoet bij het verklaren van het
gedrag van dieren en mensen.
De wetenschap lijkt aarzelend op het punt te staan haar
belangrijkste theorie over het ontstaan en het wezen van
de mens in heroverweging te nemen. Heeft men na tweehonderd
jaar genoeg van Darwin?
Jos Teunissen

'Wie weet krijgt de biologie weer een menselijk
gezicht'
|