Artikel Hervormd Nederland

 

11 april 1998
Tweehonderd jaar Darwin is genoeg

Zie ook dit artikel

Wetenschap en maatschappij zijn doortrokken van de erfenis van Charles Darwin. Maar daar lijkt verandering in te komen. Begint een onaantastbaar dogma te wankelen?

darwin.jpg (47778 bytes)

Charles Darwin (1809-1882)

In het deze week geopende Leidse museum Naturalis wordt de evolutie van uiterst primitieve eencelligen via vissen tot mens gereconstrueerd, compleet met missing links tussen aap en mens. Via allerlei tussenstadia kwamen de gewervelde dieren - zoogdieren, apen en tenslotte de mens - tot ontwikkeling. In natuurhistorische musea waar ook ter wereld is altijd vooruitgang.
Toch leert de moderne biologie dat de complexiteit van het leven op aarde weliswaar geleidelijk toeneemt, maar ook dat dat lang niet altijd het geval is. Waarom zouden de nu levende dieren over een vernuftiger organisme beschikken dan de dinosauriërs van honderd miljoen jaar geleden? En waarom zou een aardvarken 'beter' of 'verder' zijn dan een vis of een slak? De evolutie, zegt deze wetenschap met Charles Darwin, kent doel noch richting.
Maar dat wil niet zeggen dat biologen en verwante wetenschappers zich in dit feit schikken. De afgelopen twintig jaar is de evolutietheorie dankzij het vooruitgangsgeloof als een soort seculiere religie gaan functioneren. Door haar verklarende kracht, haar grote eenvoud en haar elegantie zou ze voor velen in het Westen zelfs een alternatief voor het christendom zijn geworden. De Britse wetenschapsfilosoof Michael Ruse merkte drie jaar geleden in zijn boek Monad to man, the concept of progress in evolutionary biology op, dat de evolutietheorie geen belangeloos objectief verslag van het verleden meer is, maar het verhaal is geworden over het ontstaan van de mens. 'Van de blanke, protestantse, Engelssprekende man, om precies te zijn.' 

Superieur
De evolutietheorie volgens Darwin wordt in brede kringen omarmd. Niet alleen omdat men van mening is, dat er geen alternatief voor bestaat, maar meer nog omdat men ervan uitgaat dat de mens en zijn gedrag alleen kunnen worden begrepen door naar zijn evolutionaire geschiedenis te kijken. Ons gedrag zou tot op grote hoogte worden bepaald door ons verleden. De verschillen tussen man en vrouw, oorlog, seks, macht, hebzucht, alles zou door miljoenen jaren evolutie in onze zelfzuchtige genen zijn gebeiteld.
In de hoogtijdagen van de 'maakbare samenleving', de jaren zeventig, leidde deze biologische verklaring van de mens nog tot een bikkelhard debat met marxisten. Maar sinds die praktisch zijn uitgestorven, bezien steeds meer psychologen, sociologen, cultureel antropologen, geologen, embryologen, astronomen hun onderzoeksobject tegenwoordig vanuit evolutionair perspectief. De filosoof Paul Cliteur schreef onlangs in Trouw zelfs, dat hij hoopt en gelooft dat het darwinisme over enige tijd het christendom heeft vervangen als dominante levensbeschouwing. Hij meent, dat het levensbeschouwelijk darwinisme in moreel opzicht superieur is aan de grote wereldgodsdiensten. Darwin immers plaatste de mens tussen de dieren en daaruit zou voortvloeien dat dieren gelijk zijn aan mensen. Mensen zouden dieren dus niet meer mogen gebruiken voor menselijke doeleinden, laat staan dieren op een schandalige manier behandelen zoals in de bio-industrie gebeurt. Op grond van die verdienste zou Darwin volgens Cliteur thuishoren in het rijtje waarin ook Boeddha, Jezus en Mohammed voorkomen. 

Vrijheid

Hoezeer het evolutionisme de westerse cultuur in zijn greep heeft, valt te lezen in het onlangs verschenen bock Degeneratie, het einde van de evolutietheorie en een wetenschappelijk alternatief van Peter M. Scheele (uitgave Buijten en Schipperheijn, prijs f 39,50). De auteur stelt dat de evolutietheorie tot stand is gekomen volgens de volgende redenering:

In de levende natuur zien we spontane variatie. Dat gaat oneindig door. De soorten zelf zijn (dus) uit elkaar ontstaan of uit gemeenschappelijke voorouders. Daar zit een stijgende lijn in, van eenvoudig naar complex. Het moet dus wel met een eencellige zijn begonnen. Dat zou alleen maar kunnen als er ongelooflijk veel tijd mee gemoeid is. Dat moet dan dus wel. Er is ongelooflijk veel tijd mee gemoeid. Er is evolutie. Alle andere zaken moeten we dus in evolutionistisch perspectief zien.
Darwins theorie werd in het Westen met open armen ontvangen omdat in zijn tijd vrijwel alle natuurwetenschappers er van uit gingen dat er weinig tot geen variatie in de natuur voorkwam of mogelijk was. Darwin bewees het tegendeel en alle theorieën van zijn tijd waren daarom niet meer vol te houden. Voor het eerst in de geschiedenis werd het mogelijk om ongeloof of atheïsme te onderbouwen. Karl Marx greep Darwins boek The origin of species met beide handen aan, omdat zijn ideeën over de strijd tussen de klassen perfect overeen kwamen met Darwins concept van struggle for life. En het liberalisme kon Darwins ideeën goed gebruiken als ze werden toegepast op de economie: laat de economie haar gang maar gaan, zij regelt net als de natuur haar zaakjes zelf, en de best toegeruste zal winnen in de concurrentiestrijd.
In Darwins tijd ontstond ook ons huidige politieke bestel: uit de idee dat alle mensen gelijkwaardig aan elkaar zijn, maar niet gelijk, vloeide onmiddellijk partijvorming voort. Politieke partijen zijn darwinistisch: ze bestrijden elkaar in de strijd om het (politieke) bestaan.
Omdat Darwins ideeën van pas komen op veel gebieden, vertellen vrijwel alle (populair-)wetenschappelijke boeken en tijdschriften van dit moment niets anders dan de evolutietheorie. Voor creationistische ideeën over de oorsprong van aarde en mens, al of niet op theologische grondslag, is geen plaats meer. De evolutietheorie is de enige serieuze verklaring. Ze is vooral populair omdat ze de mens vrijheid geeft, in het bijzonder morele vrijheid.
Scheele is geen bioloog en zelfs geen wetenschapper en dat maakt dit boek zo frappant. Na zijn vwo studeerde hij twee jaar elektrotechniek aan de TU Eindhoven, deed vervangende dienstplicht en kwam via Youth for Christ terecht op een bijbelschool in België. Voor de Evangelische Omroep maakte hij in 1996 het programma De bushalte, waarin jongeren discussieerden over vragen rond leven, dood en seks. Wat hem daarbij opviel, was hoe sterk de evolutietheorie het leven van jongeren beïnvloedt. Scheele: 'Veel jongeren leven met het door de evolutietheorie gereduceerde beeld van de mens als een complexe biochemisch-genetische levensvorm, wiens leven eindigt bij de dood. Objectief gezien heeft het leven geen zin, en seks is alleen maar fysiek, lichamelijk, dierlijk. Er is ook geen behoefte meer om aan iets anders te geloven, omdat de evolutietheorie immers het ontstaan van materie, ruimte, tijd, het leven, de soorten, de mens, alles verklaart. Daardoor geeft ze ook zo veel bevrediging.'
Het fascineerde hem zo, dat hij boeken over de evolutieleer begon te lezen. Gaandeweg kreeg hij de indruk, dat veel wetenschappers bun wetenschap misbruiken om hun atheïsme aan anderen op te dringen. Ook signaleerde hij veel wrok tegen het Christendom.
Hij besloot zelf een boek over het darwinisme te schrijven, als 'tegenhanger' van Darwins hoofdwerk The origin of species. Bij het schrijven liet hij zich bijstaan door een chemicus, een bioloog, een socioloog en een geneticus. Als hij een hoofdstuk af had, zette hij het op Internet om reacties los te krijgen. Sinds het boek vorig najaar verscheen, zijn er in korte tijd 10.000 exemplaren van verkocht. Het blad Bionieuws, vakblad voor biologen, besteedde er aandacht aan, maar een positieve recensie werd door de redactie niet geplaatst, volgens Scheele omdat in het boek 'dingen staan die de meeste biologen niet willen horen'. Hij heeft vernomen dat het blad binnenkort wel een negatieve recensie zal publiceren. 'Daarna', zegt Scheele, 'kunnen ze in biologenland weer rustig gaan slapen.' 
'Universeel veld'
Critici van de evolutietheorie stellen dat het darwinisme de mens heeft gereduceerd tot een verzameling biochemische materie. Het gevolg is, dat de 'exacte' wetenschap die achter de evolutieleer zit, alleen maar materie onderzoekt, niet de geest. Die is immers niet in formules te vangen en bestaat dus niet als waarneembare entiteit. Voor het gemak van de wetenschapper wordt de geest dan ook maar naar een gebied verwezen dat buiten de wetenschap ligt. Zo hebben we ons zelf geleerd puur materialistisch te denken.
Een tweede gevolg zijn de simpele maar veel gehoorde populaire uitspraken in de trant van 'Wij mensen zijn genetisch voor 99 procent gelijk aan de apen', die in ieder geval niet worden gedaan op basis van een vergelijking van basenparen. Het totale menselijk genoom is nog niet eens in kaart gebracht, laat staan dat van chimpansees. Het is dus maar natte-vingerwerk.
Niet vanuit de biologie, maar vanuit de deeltjesfysica is de laatste jaren de theorie in opmars dat bewustzijn ('geest') en materie afzonderlijke grootheden zijn die onder dezelfde noemer vallen. De fysicus Gerrit Teule stelt in zijn boek De eeuwige dans, een creatieve speurtocht naar evolutie en bewustzijn (uitgave Servo) dat evolutie niet alleen maar verloopt via een reeks van materiële toevalligheden en de selectie van de meest aangepaste. Het toeval van de evolutie wordt volgens hem geleid door 'ontelbaar veel sturende en experimentele intelligenties.' Deze 'eonen', elektrische deeltjes, zijn de dragers van onze geest en vormen de grondstof voor ons bewustzijn. Ze houden hun ervaringen vast gedurende de eeuwigheid en gebruiken die weer 'bij elke volgende incarnatie'.
De oudste en verst ontwikkelde eonen zijn ontstaan tijdens de oerknal, het begin van het heelal en vormen sindsdien de stuwende kracht achter de evolutie. Ze vormen de regulerende en inspirerende levenskracht, 'de basis van alle materie en leven.' Eonen zijn onverwoestbaar en eeuwig.
Volgens de evolutietheorie van Darwin worden lichaamsstructuren en leerervaringen in principe overgebracht via de ei- en zaadcellen, in het bijzonder via de genen. Sommige deeltjesfysici beginnen te geloven dat de ervaringen die een mens gedurende zijn leven na de conceptie doormaakt, via eonen deel gaan uitmaken van de menselijke cel. Eonen bewaren en ordenen in zich alle informatie die voor het structureren van levende cellen en lichamen nodig is. Veel informatie wordt voor 'dagelijks gebruik' vastgelegd in DNA-moleculen, die daarna in het lichaam worden gebruikt als 'bouwtekeningen' bij de constructie van celstructuren en vormen.
Eonen, zegt Teule, creëren variatie en zorgen voor het juiste milieu om al deze variaties te laten groeien. 'Ze sturen en bezielen de levende cellen in een uiterst fijnzinnig evenwicht, waarvoor we geen instrumenten hebben om het te kunnen meten. Bij gevolg weten en begrijpen de biowetenschappen nog niets van dit informatieverwerkende systeem, dat 'de drijvende kracht is achter elke evolutie en qua snelheid, nauwkeurigheid en geheugenruimte de meest geavanceerde computersystemen die er tot op heden zijn gebouwd, overtreffen.'
In zijn onlangs verschenen boek Play and evolution (uitgave Jan van Arkel) komt de Leidse etholoog Koenraad Kortmulder tot een soortgelijke redenering: alles wat bestaat, stoffelijk of onstoffelijk (in de vorm van bewustzijnsverschijnselen ofwel 'gedrag') maakt deel uit van een ‘universeel veld'. Hij suggereert dat het darwinistische wereld- en mensbeeld niet meer voldoet bij het verklaren van het gedrag van dieren en mensen.
De wetenschap lijkt aarzelend op het punt te staan haar belangrijkste theorie over het ontstaan en het wezen van de mens in heroverweging te nemen. Heeft men na tweehonderd jaar genoeg van Darwin?

Jos Teunissen

pinguins.jpg (39724 bytes)

'Wie weet krijgt de biologie weer een menselijk gezicht'

commentaar:

 

   

 

geef hier je feedback over deze pagina of op de inhoud
copyright © 1997-2003, Peter Scheele
een project van WEBinSIGHTs