|
Hij doet wel zijn best, die Peter. Aan
de publicatie van zijn boek ging een ware stroom persberichten
vooraf. Maar hij wil dan ook heel wat: Darwin verslaan -'Let's
beat Darwin!' is zijn motto. Voorlopig echter richt hij
zijn pijlen bij voorkeur op Darwins vertegenwoordiger op
de Hollandse aarde: Midas Dekkers. Het boek is opgedragen
aan Midas, 'de verpersoonlijking van traditioneel evolutionistisch
denken in Nederland'. Dekkers zal echter, vrees ik, schouderophalend
zijn toestemming hebben verleend en verder hoogstwaarschijnlijk
ook geen woord aan dit boek vuil maken.
Vanwaar Scheeles breed geëtaleerde afkeer van de grondlegger
van de evolutietheorie? Omdat Darwin een godloze religie
heeft gesticht, een die leidt tot moreel verval: 'Het hele
probleem van het ontbreken van normen en waarden in onze
samenleving cii de dringende noodzaak van maatschappelijke
discussie, vindt zijn oorzaak in het algemeen aanvaard zijn
van de evolutietheorie. (... ) De normen die er nu zijn,
zijn vaak nog christelijke normen. Maar de bodem voor handhaving
van die normen is weggeslagen. (... ) En dat hebben we te
danken aan de evolutietheorie, aan Darwin.' (p. 26)
Het is het oude, treurig stemmende verhaal van de
moreel minderwaardige, tot alle kwaad geneigde, kortom duivelse
goddelozen. Oude, agressieve wijn in lekke zakken, zo lijkt
het.
Maar Scheele heeft ook iets origineels te bieden.
De eerste vier hoofdstukken van Degeneratie bieden
een gedetailleerd beeld van verscheidene aspecten van de
moderne genetica. Hij heeft er zich heel duidelijk - en
dat mag voor dit genre opmerkelijk heten - serieus in verdiept.
Dat was noodzakelijk omdat hij in zijn pogingen de evolutietheorie
te weerleggen ontdekte dat 'de oplossing complexer was dan
ik aanvankelijk dacht'. Met als gevolg dat het boek veel
complexer is dan andere anti-darwinistische werken.
A. van den Beukels Met andere ogen -
over wetenschap en het zoeken naar zin (Ten Have, 1994)
bijvoorbeeld komt niet veel verder dan de constatering dat
evolutiebiologen ruzie maken en dat er 'dus' van de evolutietheorie
wel niks zal kloppen. Scheele gaat echter uitgebreid in
op allerlei biochemische en genetische details. Goed, zijn
stijl is van een gruwelijke gelijkhebberigheid en hij zinkt
ook zo nu en dan tot het niveau van het goedkope christelijke
tractaat (waarin na vijf uit hun verband gerukte citaten
geconcludeerd wordt dat wetenschappers elkaar tegenspreken),
maar het is en blijft een dappere poging - die jammerlijk
mislukt.
De eerste vier hoofdstukken zijn een inleiding
op de 'Openingsakte van het biokosmisch drama', hoofdstuk
5. Daarin maken we kennis met Koning Entropie die verwarring
zaait, Meesteroplichter Mutatie die voortdurend aan de genen
zit te morrelen en Engel Natuurlijke Selectie die door Meesteroplichter
Mutatie aangebrachte ongunstige mutaties uit de weg ruimt.
Het drama zelf speelt zich af in hoofdstuk 6, 'Genengroei',
en laat zich als volgt samenvatten:
Genen kunnen muteren en daarna gaan ze net iets
andere eiwitten aanmaken. Dat is het werk van Meesteroplichter
Mutatie. Als dat nieuwe eiwit toevallig beter is, kan de
Engel Natuurlijke Selectie die nieuwigheid uitselecteren,
waardoor deze uiteindelijk het dominerende gen wordt; ongunstige
mutaties daarentegen verdwijnen door haar toedoen van het
toneel. Als er nu een mutatie optreedt die een volstrekt
niet-functioneel eiwit oplevert, dan is dat gen (in Scheeles
terminologie) 'dood' en niet meer onderhevig aan selectiedruk.
Koning Entropie zorgt er dan voor dat het op goed geluk
verder muterend steeds verder verwijderd raakt van haar
ooit functionele structuur. Tot zover is er nog niets vreemds
aan de hand. Maar neem nu eens een essentieel gen, een dat
cruciaal is voor het ontstaan of functioneren van het individu.
Dat kan dankzij Meesteroplichter Mutatie ook variëren, maar
als het niet-functioneel wordt, sterft het individu onmiddellijk.
Kortom: genen die bijzaken regelen kunnen misschien forse
veranderingen ondergaan, maar dat geldt niet voor de essentiële
genen. Die worden door Engel Natuurlijke Selectie dicht
bij dezelfde structuur gehouden. 'Essentiële genen, zo vat
Scheele het samen, 'kunnen niet evolueren naar een andere
functionaliteit.'
Iets verderop volgt het tweede deel van zijn
argument: ongeveer tweederde van de genen van zoogdieren,
zo concludeert Scheele, vertoont helemaal geen variatie
en blijft altijd uiterst dicht bij die ene nuttige structuur,
hetgeen betekent dat dit deel van het genetisch materiaal
niet evolueert. Scheele kan het wel uitschreeuwen (op pagina
92): 'He Charles. Tweederde van de genen evolueert niet!'
Een beetje tragisch is het wel, aangezien deze
conclusie gebaseerd is op een koe van een fout: Dat getal
tweederde heeft betrekking op het
|
voorkomen van heterzygotie binnen het genoom
en niet op het aantal gemuteerde genen. Dat zit als volgt:
we hebben van alle genen in principe steeds twee exemplaren,
één van ieder van onze ouders. Pakweg eenderde van die genen
kent twee of meer varianten, 'allelen', die ieder een ander
fenotype (uiterlijk kenmerk) aandragen, maar waarbij meestal
een der allelen domineert. Wie bijvoorbeeld van zijn beide
ouders een allel voor rood haar heeft ontvangen, krijgt
ook rood haar; wie een allel voor rood en een voor zwart
haar heeft, krijgt zwart haar omdat 'zwart' dominant is
en 'rood' recessief. 'Allel' is een typisch begrip uit de
klassieke genetica, en het laat zich niet een-twee-drie
vertalen naar moderne inzichten op het gebied van genen.
Veel aspecten van de erfelijkheid (men denke aan huidskleur)
laten zich op die manier ook niet beschrijven. Het bestaan
van allelen heeft daarom niets te maken met het aantal mutaties
binnen genen - natuurlijk kan het ene allel een mutatie
van het andere zijn. In de praktijk bevatten genen altijd
wel een stel (tot vele tientallen) grote en kleine mutaties
die ervoor zorgen dat een volledige biochemische beschrijving
van genen zoals die bijvoorbeeld door het Human Genome Project
wordt geleverd, nooit meer dan een ijkpunt kan zijn.
Bestaan er 'essentiële genen' waarbij een bescheiden
mutatie reeds fataal kan zijn of een fors verlies aan fitness
betekent? Zeker. Een mooi voorbeeld vindt ik altijd weer
de familie der uilen. Je hebt ze groot en klein, bruin en
grijs, slank en dik - maar ze zijn altijd herkenbaar aan
dezelfde karakteristieke jachttechniek. Er zijn meerdere
wegen naar Rome, maar het is inderdaad denkbaar dat de genen
die daarvoor verantwoordelijk zijn, in de loop der evolutie
niet of nauwelijks zijn veranderd. Maar dat heeft het ontstaan
van vele verschillende uilensoorten niet kunnen voorkomen.
Soortvorming treedt op zodra een populatie in
twee grotendeels afzonderlijk voortplantende delen uit elkaar
valt. Een bescheiden uiterlijk verschil kan daarbij al van
cruciaal belang zijn, en verschil in selectiedruk of simpelweg
genetische drift (het toevallig uit elkaar drijven van eigenschappen)
zorgt dan voor de rest. Bij 'essentiële genen' kunnen we
denken aan genen die een zeer specifiek eiwit aanmaken voor
een zeer gespecialiseerde functie maar ook aan de grote
regulatorgenen die de ontwikkeling van het embryo sturen.
Als daar iets mis gaat, zo zou je met Scheele kunnen denken,
dan komt die ontwikkeling tot stilstand en sterft de vrucht.
Als er dus inderdaad genen bestaan die het onderscheid tussen
soorten in stand houden, dan zijn die dat die regulerende
genen. Genen die de groei regelen van lichaamsdelen zoals
insectenogen en -poten komen ook voor bij mensen, en hebben
daar sterk verwante functies. Zo uniek en onveranderlijk
zijn die regelgenen dus kennelijk niet.
Scheele denkt de evolutieleer een fatale slag
te hebben toegebracht en gaat onverdroten voort met een
brief aan Darwin, gevolgd door een intermezzo gewijd aan
'de Wet van Midas' (Dekkers; geen wet maar de constatering
dat 'God' in de wetenschap een zinloos concept is) en daarna
deel twee: 'Het wetenschappelijk alternatief voor biologische
verandering: de degeneratietheorie'. Want alles wat Meesteroplichter
Mutatie kan bereiken, is degeneratie. Ook constateert hij
dat de genetische code dermate ingenieus in elkaar zit dat
ze slechts door een buitenaardse 'Creator' kan zijn ontworpen.
Zijn slotwoorden zijn weer voor zijn geliefde tegenstander:
'De grootste bezwaren tegen de ideeën in dit boek zullen
niet van wetenschappelijke aard zijn, maar van (verborgen)
religieuze aard, omdat men zal vallen over het bestaan van
een Creator. En spot zal het belangrijkste argument zijn
van degenen die geen goede (wetenschappelijke) argumenten
hebben. Of niet soms, Midas?'
Met Degeneratie valt niet te spotten
- men kan er slechts om zuchten. Van alle pogingen om Darwin
te 'verbeteren' of te 'weerleggen' is deze de meest hopeloze
die ik ooit onder ogen ben gekomen. Scheeles inzet is prijzenswaardig,
maar zijn aanpak volstrekt nutteloos. Wie moet hier nu in
Godes naam van onder de indruk raken? Wie het nodige gelezen
heeft over de evolutieleer zal het nooit in zijn hoofd halen
dat Darwin plus een eeuw biologisch onderzoek weerlegd kan
worden op populair-wetenschappelijk niveau. En dan de tweede
potentiële lezersgroep, zij die Darwin en de moderne biologie
veelal om religieuze redenen toch al niet vertrouwden. Die
worden lastiggevallen met ingewikkelde biochemie en genetica
en moeten hun vertrouwen stellen in ene Peter Scheele die
een kiertje meent te ontwaren in het evolutionaire pantser
- en dat in een boek waarin God 'Creator' heet en de bijbel
niet voorkomt. 'Het was voor mij een enorm boeiend project',
schrijft Scheele. Voor hem alleen, vrees ik.
|