| Op het artikel van Arjan Kuil (deze
krant van 18 december) 0ver het in november uitgekomen boek
van Peter Scheele met daarin een aanval op de evolutietheorie
wil ik graag mijn reactie geven. Kuil schrijft dat de creationisten
tot nu toe geen redelijk alternatief hadden om hoog van de toren
de blazen. Maar het alternatief van de Schepper is er altijd
al geweest en is ook niet minder redelijk geweest dan de evolutietheorie
die bedacht is in een tijd waarin de benodigde biologische mechanismen
nog niet bekend waren. Die theorie is dus gewoon op los zand
gebouwd. Als de creationisten in de tijd van Darwin iets meer
begrip hadden gehad van de door God ingeschapen variatie binnen
de soorten dan zou Darwin geen enkele reden hebben gehad zijn
evolutietheorie te verzinnen. Zolang de evolutionist zich beperkt
tot de verklaring van een paar bijzondere vinken op de Galapagos-eilanden,
zal de huidige creationist daar geen enkele moeite mee hebben.
Maar zodra hij verder gaat en ook grote sprongen wil verklaren
door toeval dan ontbreekt iedere wetenschappelijke basis.
Kuil spreekt van dinosurussen van 65 tot 250 miljoen jaar
geleden. Maar hoe betrouwbaar zijn deze getallen? Zijn die
niet juist gebaseerd op de evolutietheorie? Als je deze theorie
verlaat zal er ook geen reden meer zijn om in die hoge ouderdommen
te geloven. Er is namelijk geen enkele objectieve methode
om zulke hoge ouderdommen te meten.
|
Midas Dekkers blijkt geen touw aan
het boek van Scheele vast te kunnen knopen. Dat zou echter wel
eens meer aan Dekkers kunnen liggen dan aan Scheele. De reacties,
die ik gehoord en gelezen heb van mensen die het boek gelezen
hebben, zijn aardig positief. En het gaat bij evolutie toch
om toeval waar je dus op basis van waarschijnlijkheidsrekening
iets van moet kunnen zeggen. En dat is precies wat Scheele heeft
gedaan.Ondanks het feit dat ik geen bioloog ben, vond ik het
een zeer lezenswaardig boek waar met enige moeite best veel
van te begrijpen viel.
Midas Dekkers maakt helaas niet duidelijk aan welke 'spelregels'
Scheele zich niet heeft gehouden. Dat Dekkers de kern niet
helemaal heeft gevat blijkt wel uit zijn verwijt aan Scheele
dat hij twee denkfouten heeft gemaakt. Het gaat er niet om
dat Scheele denkt dat biologen niet zouden weten dat er degeneratie
is, of dat zij zouden denken dat evolutie altijd vooruitgang
is. Het gaat juist om die stappen in de evolutie waarbij de
evolutiebiologen (want niet alle biologen geloven in evolutie)
wel geloven dat er vooruitgang is of wel dat er nieuwe functies
worden toegevoegd aan het genetisch materiaal.
Als ik het boek goed begrepen heb is het onjuist om Scheele
in de schoenen te schuiven dat variatie altijd beschadiging
van erfelijk materiaal betekent. Scheele heeft het ook over
originele variatie die door de Schepper is ingebouwd in het
mechanisme van celdeling
|
(recombinatie). Een variatie die
in de dagelijkse omgang bijzonder prettig is, want anders moesten
we voortdurend met een naambordje op lopen.
Dat Scheele, volgens Dekkers, niet kan geloven dat de evolutietheorie
klopt is niet een gevolg van onwil of een beperkte blik, maar
juist een gevolg van begrip van de mechanismen die een rol
spelen en de resultaten van het daarop toepassen van de waarschijnlijkheidsrekening.
Het is voor Scheele de aantoonbare onmogelijkheid van de evolutie
die hem er toe doet besluiten daar niet in te geloven. Het
gaat ook niet om 'vragen die de biologische wetenschap (nog?)
niet kan beantwoorden', maar om zeer sterke argumenten tegen
de evolutietheorie. Niet kunnen geloven in evolutie omdat
de argumenten ertegn zo sterk zijn heeft verre mijn voorkeur
boven geloven in evolutie alleen omdat men niet in een Schepper
wil geloven.
Als overigens alle leven oorspronkelijk uit één levende cel
voortkomt die zich gedeeld heeft, dan moet die cel al heel
wat zinvolle DNA en aminozuren en een fabriekje om aminozuren
in eiwitten om te zetten en nog van alles meer hebben gehad
om zich te kunnen delen. Het lijkt mij echt volstrekt onmogelijk
dat zoiets gecompliceerds door toeval kan ontstaan.
J. Reltsma
Ugehelen
|