'Door selectie behouden gevolgen
van verliesmutaties zijn functioneel,
en niet ontstaan door degeneratie'
| De Belgische zooloog prof.dr.
W. Verraes reageert op enkele punten in de antwoordbrief van
Peter Scheele aan Jan van Daal in BIOnieuws 20/97. Scheele
moet rekening houden met de toetssteen van de wetenschappelijke
onderzoeksmethode, wil hij au sérieux gehouden worden, vindt
Verraes.
Indien men onder het woord `god' een buitennatuurlijke
(ondefinieerbare direct of indirect onmeetbare) entiteit
verstaat, kan dit begrip in geen enkel kennismodel voorkomen
dat zich baseert op de natuurwetenschappelijke onderzoeksmethode.
Op grond van onze ervaring is deze methode de minst onzekere
om kennismodellen over de ervaarbare werkelijkheid op te
bouwen in een niet dogmatisch, open proces. Terzijde: de
congruentie tussen de wetenschappelijke modelwereld en de
extra-mentale werkelijkheid (Kant) is ultiem niet bepaalbaar
(Wittgenstein), en de vraag daarnaar derhalve cognitief
volstrekt zinledig.1.
Daarnaast is het duidelijk dat esthetische en ethische uitspraken
evenals hun fundering buiten het wetenschappelijk kennisveld
vallen (behalve wanneer ze zelf het voorwerp van wetenschappelijk
onderzoek bij studieobjecten uitmaken). Hoe mensen buiten
dit kennismodel persoonlijk met hun concepten omspringen,
is hun zaak. Wanneer ze evenwel kennismatige uitspraken
willen doen, dan zullen ze terdege rekening moeten
houden met de
|
toetssteen van de wetenschappelijke
onderzoeksmethode, indien ze au sérieux willen genomen worden.
Door natuurlijke selectie behouden gevolgen van verliesmutaties
hebben in een bepaalde omgeving functioneel-efficiënte betekenis,
en kunnen derhalve niet als degeneraties worden gekwalificeerd.2.
Het gaat in alle gevallen om evolutieve transformaties.
Deze term is overigens in het algemeen prefereerbaar omdat
hij géén waarde-oordeel over het evolutie-effect uitdrukt.3.
De graad van gelijkheid van homologe structuren en van
genen is onbetwistbaar een maat voor de graad van gemeenschappelijke
afstamming. Dit is wel degelijk zeer goed bewijsbaar door
bijvoorbeeld het bouwplan en de genen van Peter Scheele
met die van zijn biologische ouders te vergelijken, en met
die van mezelf en mijn biologische ouders, enz.4.
Micro- en macro-evolutie kunnen misschien het best beschouwd
worden vanuit de effecten van mutaties in HOX- en homeobox-genen
versus mutaties in andere genen, en de natuurlijke selectie
hieropvolgend in rekening brengend.5.
Prof.dr. W. Verraes
Onderzoeksgroep Morfologie
van vertebraten
Universiteit Gent
|
|
commentaar:
1. Dat is nou wat
ik met de wet van Midas bedoel (zie intermezzo tussen deel 1 en
deel 2 van het boek). Allereerst beperken we datgene dat we empirisch
kunnen onderzoeken tot het terrein van de wetenschap. Vervolgens
zeggen we dat er buiten dat terrein niets meer bestaat, omdat
het dan namelijk niet wetenschappelijk meer is. Liefde is niet
wetenschappelijk en bestaat toch. Het is niet te meten en toch
behoort het tot de ervaringswereld van elk mens. Sterker nog:
de meeste verschijnselen gebeuren gewoon, maar niemand weet (nog)
waarom. Waarom kan in het oneindige kennisgebied dat nog niet
wetenschappelijk 'ontdekt' is geen God bestaan? Of waarom zien
we door de bomen eenvoudig het bos gewoon niet? Waarom hadden
en hebben erg veel wetenschappers geen enkele moeite om wetenschap
te bedrijven én in een God te geloven? Het 'wetenschappelijke'
proces is in ieder geval niet zó open en derhalve wel zó dogmatisch,
dat wanneer het Grote Verhaal niet geaccepteerd wordt, men dan
ook niet in staat geacht wordt tot enige zinvolle 'wetenschappelijke'
bijdrage.
2. Dat hangt van
de definitie van degeneratie af. Degeneratie is het verlies van
(wezenlijke) genetische informatie, ook al leidt dat op fenotypisch
niveau tot (overlevens-)voordeel. Dan te spreken van 'evolutie'
is misleidend, omdat daarmee de indruk gewekt zou kunnen worden
dat toename van genetische informatie, of zelf de generatie van
geheel nieuwe genen, óók mogelijk is.
3. De term 'evolutie'
zelf heeft een waarde-oordeel. Ze heeft de betekenis van 'ontwikkeling'
en de associatie van 'vooruitgang'. Door termen als 'survival
of the fittest' (het overleven van de geschikste of beste), 'aanpassing
aan de omstandigeheden' en 'goede mutaties gedijen'
krijgt 'evolutie' een positief waarderende klank. Op die manier
wordt door sommigen (Sander Voormolen van BIOnieuws en dr. Hans
Roskam van de universiteit in Leiden) zelfs sikkelcel-anemie nog
als een positieve evolutionaire ontwikkeling gezien en niet als
een degeneratieve, omdat het beschermt tegen malaria en zo de
overlevingskansen vergroot, terwijl homozygose van het beschadigde
gen tot de dood leidt, en heterozygose allerlei andere ongemakken
geeft. De term dévolutie of degeneratie is daarom zeker niet onterecht.
Óf, als de term degeneratie niet gebruikt mag worden,
dan de term evolutie ook niet.
4. Ja, natuurlijk.
Bij individuen die van elkaar afstammen en tot hetzelfde type
behoren wel ja. Dat spreekt voor zich. Maar dat kan toch niet
zomaar als argument gebruikt worden om er de afstamming van niet-verwante
soorten mee te bewijzen?
5. Nee, absoluut
niet. Een mutatie in een regulator-gen kan grote uiterlijke veranderingen
geven, maar is in geen enkel opzicht een verklaring voor het ontstaan
van de structurele genen. Het onstaan van nieuwe genen
is een absolute voorwaarde voor macro-evolutie. Dergelijke mutaties
mogen derhalve niet als een macro-evolutionair mechanisme beschouwd
worden.