Reactie prof.dr.ir. Arthur Rörsch BIOnieuws 17-01-98

 

Dit zijn alle artikelen uit de BIOnieuws-discussie:
 groen_pootje.gif (933 bytes) Bespreking internetsite door Sander Voormolen
 groen_pootje.gif (933 bytes) Ingezonden brief Peter Scheele
 groen_pootje.gif (933 bytes) Ingezonden brief dr. ir. Herman van Eck
 groen_pootje.gif (933 bytes) Open brief dr. Jan van Daal
 groen_pootje.gif (933 bytes) Evolutie verdient open discussie, drs. Fedor Steeman
 groen_pootje.gif (933 bytes) Reactie op Open brief door Peter Scheele
 groen_pootje.gif (933 bytes) Darwin Moleculair, prof.dr.ir. Arthur Rörsch
 groen_pootje.gif (933 bytes) Verliesmutaties zijn geen degeneratie, prof. dr. W. Verraes
 groen_pootje.gif (933 bytes) Het 'bedrog' van de creationisten, prof. A. Rörsch

 

Darwin Moleculair
Hoe ontstaan nieuwe eigenschappen? 'Door pathway-engineering!'

In Bionieuws 20 (l997) nodigt F. Steeman een moleculair bioloog uit om te verklaren 'op welke wijze mutaties op moleculair-genetisch niveau nieuwe eigenschappen kunnen genereren'. Die uitdaging neemt prof.dr.ir. Arthur Rorsch graag aan. Versnelling kon echter al optreden door de aanwezigheid van anorganische katalysatoren, bijvoorbeeld Zn, M Co Fe die we nog steeds in sommige enzymatische katalysatoren terugvinden). Het aantal mogelijke chemische omzettingen in water is beperkt {niet voor niets grijpt de organisch chemicus graag snel naar een ander oplosmiddel). Aldus kunnen we de enzymen zien als het beperkte aantal basisfuncties (vergelijkbaar met de anorganische elementen in de anorganische evolutie) waaruit de meer complexe `metabolic pathways' met hun specifieke eindproducten (verbindingen) worden gevormd. Het aantal enzymen is groter dan 90, maar niet noodzakelijk groter dan enige tienduizenden, want door verschillende rangschikking in pathways kan een schier oneindig aantal verschillende eigenschappen ontstaan.1.

Alle enzymen zijn al in vroeg stadium ontstaan

Er is een goede reden om te veronderstellen dat alle enzymen waarvan levende cellen gebruik maken, (gelijk de 90 elementen in de anorganische evolutie) al in een vroeg stadium van de biologische evolutie zijn ontstaan, zeg gedurende de eerste miljard jaar, voordat de splitsing in de drie koninkrijken (eubacteria, archaea, eukaryota) plaats vond. Wellicht waren ze functioneel toen al uit-geëvolueerd tot optimaal werkende katalysatoren.2. Die goede reden is: de wijde spreiding van alle enzymatische functies over alle bestaande soorten. Men kan het haast niet zo gek bedenken, of een

De Darwinistische evolutie-theorie is sinds de laatste decennia via de wiskunde veralgemeniseerd tot de complexiteits-theorie (voorheen genoemd chaos-theorie) die in vele verschillende a-, ß- en y-wetenschappen toepassing vindt (b.v. de taalkunde en de economie).
Algemene evolutietheorie is van toepassing in het hele traject van het onstaan van het heelal, de elementen, de sterren, de planeten, het leven, tot de soort-differentiatie. De fenomenen variatie en selectie, met als gevolg het ontstaan van complexe systemen, zijn in alle stadia van essentieel belang. De biologische evolutie onderscheidt zich van de anorganische door het verschijnsel van zelfvermenigvuldiging van sommige macromoleculen en van cellen. Niettemin kunnen uit de waarnemingen in de anorganische evolutie een aantal principes worden afgeleid die ook voor de biologie van belang zijn.

Beperkt aantal bouwstenen voor vele verschiIlende complexiteiten

Een zo'n waarneming is, dat in een vroeg stadium van de anorganische evolutie reeds alle 90 stabiele elementen zijn gevormd (uit drie typen kleinere deeltjes: protonen, neutronen en elektronen), en niet meer. Uit dit beperkte aantal bouwstenen, zijn daarna (spontaan) miljoenen verschillende verbindingen gevormd. Het aantal mogelijke verbindingen

is oneindig groot. Het aantal functionele bouwstenen - de elementen - is echter beperkt, doordat protonen en neutronen vanwege de werking van fundamentele natuurkrachten slechts een beperkt aantal combinaties kunnen vormen. Dit principe - uit een beperkt aantal bouwstenen zijn de vele verschillende en veel grotere complexiteiten opgebouwd - kunnen we ook in de biologische evolutie herkennen. Wat zijn de functionele bouwstenen van de levende cel? Dat zijn in de eerste plaats de enzymen, die de chemische omzettingen bevorderen, waardoor elke soort zijn specifieke eigenschappen krijgt die hem van anderen onderscheidt. Een eigenschap van een soort wordt echter niet uitsluitend door één enzym bepaald, maar door de rangschikking van vele enzymen in zogenaamde `metabolic pathways'.

Herrangschikking in pathways biedt oneindig aantal mogelijkheden

Een enzym verricht geen wonder in de zin dat het een nieuwe chemische omzetting genereert. Het faciliteert slechts een reeds in water bestaande reactie, door deze te versnellen (door verlaging van de activeringsenergie). Alle chemische omzettingen waren dus - voor het ontstaan van de eerste levende cel - al potentieel mogelijk, zij het dat zij zonder katalysator zeer langzaam zouden verlopen.

 

enzymfunctie in een plant of dier kan ook in een primitieve bacterie worden teruggevonden, (mits men daar een geschikte ophopingsmethode voor heeft).3. Deze veronderstelling - er is een beperkt aantal enzymfuncties en deze zijn in een vroeg stadium al geoptimaliseerd - verklaart waarom we temporair geen nieuwe enzymfuncties zien ontstaan.4. De mogelijkheden zijn door de beperking die functioneren in water oplegt, al eerder uitgeput. Aldus zijn nieuwe eigenschappen in nieuwe soorten het gevolg van herrangschikking van enzymen in `pathways'. Dit sluit niet volledig uit dat tijdens de evolutie van hogere organismen (opnieuw indicenteel) grotendeels dezelfde enzymfuncties in bepaalde fyla zijn ontwikkeld 5. (zoals in de sterren nog steeds de zelfde 90 basiselementen, en niet meer, worden gevormd); dat heet parallelle evolutie.

Biologische evolntie was overwegend evolutie van nieuwe regulatiepatronen.

Een andere typische eigenschap van het biologische systeem (die zijn weerga in de anorganische evolutie niet kent), is dat de chemische reacties heel precies worden geregeld. Die regulatie vindt plaats door inhibitie en activering van enzymen (in `pathways'). Enzymen hebben daarvoor naast de `active site' - waar de omzetting plaats vindt - een tweede `site' ontwikkeld met een affiniteit voor een andere metabole stof. Deze stof verandert de conformatie van het enzym, en maakt deze daardoor minder, respectievelijk meer `geschikt' om de katalytische functie te vervullen.6.

De eerst ontstane levende cel die tot zelfreplicatie in staat was, zal dat vermogen tot regulatie al moeten hebben ontwikkeld, zij het in een primitieve vorm. Mogelijk deed deze eerste cel (die geen concurrentie van anderen ondervond) wel 100 jaar over een deling. Door variatie en selectie ontstonden sneller delende dochtercellen die in competitie met de voorouders gingen in een strijd om het efficient gebruik van de schaarse voedsel en energiebronnen. Men dient daarbij te bedenken dat door de onbedwingbare zucht tot zelfreplicatie, ieder organisme de neiging heeft om met zijn nageslacht de beschikbare milieugebruiksruimte volledig te bezetten.
Tijdens de vroege evolutie van ééncelligen zullen de belangrijkste selectiekrachten vooral gewerkt hebben op het verhogen van de efficientie van de regulering van `pathways'.
De daarop volgende evolutiestappen worden gekenmerkt door herrangschikking van bestaande enzymen in nieuwe pathways, met nieuwe regulatiepatronen, met als gevolg dat verschillende `soorten' kunnen worden onderscheiden.
Derhalve is de conclusie dat biologische evolutie ná de splitsing van de grote koninkrijken-over de laatste 2 miljard jaar overwegend een evolutie van nieuwe regulatiepatronen is geweest, en niet het ontstaan van nieuwe enzymfuncties. Deze regulatie-evolutie bereikte een belangrijke mijlpaal, ca. 600 miljoen jaar geleden, toen het cascaderegulatieproces werd ontwikkeld, dat we celdifferentiatie noemen, waardoor de `hogere' meercellige organismen werden gevormd.7.
Het model-verandering van een eigenschap door herrangschikking van enzymen in een `pathway' kunnen we in primitieve vorm nu ook nabootsen in de reageerbuis met behulp van `genetic engineering'.8. Het proces heet `pathway engineering', en wordt in de industrie reeds bij de antibioticaproductie in schimmels toegepast. Kortheidshalve kan de vraag `Hoe ontstaat een nieuwe eigenschap?' dus worden beantwoord met: `Door pathway engineering!'.

Triviale evolutie

Vele vervangingen van aminozuren in enzymen (door mutaties) zijn niet functioneel, omdat de conformatie van de `active site' er niet door wordt beďnvloed. We kunnen die vervangingen volgen in hypothetische fylogenetische stambomen, die worden opgesteld door de aminozuurvolgorde in een algemeen voorkomend enzym (bijv. cytochroom C) in temporaire organismen met elkaar te vergelijken. Deze vervanging is mijns inziens ten onrechte aangeduid als enzym-evolutie, waardoor het misverstand heeft kunnen rijzen dat zulke (temporair waarneembare) mutaties een verklaring voor de vorming van nieuwe enzymen zouden kunnen zijn.9. Deze (niet functionele) vervangingen zijn een cadeautje van de natuur aan de hedendaagse onderzoekers om alsnog de species-evolutie te kunnen vaststellen, omdat de voorgeschiedenis van een soort er - zonder evolutionaire consequenties - in is vastgelegd.10.

Arthur Rorsch
Moleculaire Genetica RU-Leiden/Hortus Botanicus

 

commentaar:

1. Dat klinkt leuk, maar is het geenszins. Het is waar dat dezelfde eiwitten op verschillende plekken gebruikt worden (zoals een baksteen in een schuurtje, een muurtje en een huis gebruikt kan worden). Dat zegt echter niets over het ontstaan van die eiwitten, noch over de wijze waarop het gebruik van dat eiwit gereguleerd is. In elke andere 'pathway' waarin een enzym functioneert moet het opnieuw nauwkeurig(!) gereguleerd worden. Op het juiste moment aan, op het juiste moment uit. Voor die tot in detail afgestemde regulatie is net zo goed (genetische) informatie nodig. Om een voorbeeld te noemen: de aanzet tot embryonale ontwikkeling van vingers en tenen wordt door een en hetzelfde gen veroorzaakt. Een defect in dit gen veroorzaakt afwijkingen in al die delen. Dus: hetzelfde gen wordt op verschillende plaatsen gebruikt. En waarom niet? Dit ingenieuze in elkaar grijpen en efficient gebruiken van elk gen lijkt wel op object-geörienteerd programmeren, waarbij een eenmaal gedefinieerd object in verschillende andere subobjecten te gebruiken is. Bijvoorbeeld: voet.maaklid(groteteen) en hand.maaklid(duim), waarbij *maaklid* in beide gevallen hetzelfde 'gen' is, met daarbij specifieke lokale eigenschappen. Dit soort intelligent gebruik van genen wijst op een intelligente programmeur. Hoe ingenieuzer en efficiënter de constructies, hoe meer dat duidt op een ontwerp en programmering van het DNA en de daarbij horende metabolische paden. En hoe intoleranter ze worden voor kleine wijzigingen. En hoe meer verklaringskracht er nodig is om ons te doen geloven dat dit ontstaan is door de combinatie van toeval en blinde(!) selectie.

2. Pardon! Is dit het antwoord waar evolutionistisch Nederland op zit te wachten? Hier is een prof.dr.ir., een evolutionistische moleculair bioloog, die nu zondermeer stelt dat er niet alleen vandaag de dag niet, maar gedurende de laatste 2-4 miljard jaar nauwelijks iets wezenlijks veranderd is aan de eiwitten! Dat is dus een bevestiging van mijn stelling dat er geen generatie van nieuwe eiwitten of genen is. Vervolgens verklaard het het ontstaan van die eiwitten nog steeds niet. Dat ontstaan wordt verondersteld in een ver verleden plaats gevonden te hebben, in voorouder-bacteriën (o.i.d.), die op dit moment in ieder geval niet bestaan. Hiermee wordt de kans om de ontstaansgeschiedenis van de genen (waar mijn boek over gaat) op een wetenschappelijke manier te ontdekken nul komma nul. Op dezelfde wijze zoals Eldredge en Gould gekomen zijn met een theoretische verklaring voor het ontbreken van de graduele fossiele overgangen, zo komt prof. Rorsch met een theoretische verklaring voor het ontbreken van de generatie van nieuwe genen. Men kan geloven in deze verklaringen - en ze zijn aannemelijk omdat ze het Grote Verhaal van de Evolutie niet ondermijnen - maar ze zijn niet wetenschappelijk te toetsen. Zelfs niet als ooit onder de deskundige begeleiding van de mens, die de omstandigheden optimaal configureerd, in een reageerbuis eens 'iets' onstaat wat er wel een beetje op lijkt.

3. Overeenkomst wijst niet gemeenschappelijke afstamming tussen niet-verwante soorten, maar op overeenkomstige functionaliteit. En that's it. Meer kan je er niet inleggen.

4. Ja, hij zegt het toch echt: temporair, dat is tijdelijk of vandaag de dag, zien we géén nieuwe enzymfuncties ontstaan.

5. Maar het zou af en toe toch wel eens kunnen, zegt hij er veiligheidshalve bij. Zeg nooit nooit.

6. En dát is dus de reden waarom eiwitten met overeenkomstige functies toch verschillen! Ze zijn in niet-verwante soorten (iets) anders gereguleerd.

7. Met alle respect, maar het is allemaal speculatie en reconstructie op basis van, met als uitgangspunt, dat er een evolutionaire ontwikkeling geweest is. Als je daarvan uitgaat kan je niet anders dan zeggen: zo en zo moet het wel gegaan zijn. Dat is echter geen enkel argument voor iemand die niet (meer) accepteert dat het zo gegaan is.

8. Hier wordt een klassieke fout gemaakt (vergeef me het woord). De mens heeft de neiging bij elke technologische doorbraak het leven te vergelijken met de ontdekking die hij gedaan heeft. Zo waren mensen in de tijd van de stoommachines een soort stoommachines, in de tijd van de computer zijn wij supercomputers en in de tijd van de genetische manipulatie staan de door intelligente mensen ontwikkelde technieken model voor evolutionaire veranderingen. Deze mensen doen echter net zoiets als de Creator® deed: ze gebruiken de bouwstenen om er een vooropgezet doel mee te bereiken. Ze scheppen. Blinde natuurlijke selectie kan dit niet tot stand brengen. Intelligente menselijke selectie wel, omdat die een doel voor ogen heeft en afgronden van niet-functionaliteit in enkele stappen kan overbruggen. Dit scheppen lijkt, zoals uitgelegd in hfst.12, meer op hacken dan op scheppen. Desondanks bewijzen zij hiermee dus dat intelligentie in staat is functionele biochemische mechanismes te ontwerpen. Precies datgene wat ik in mijn boek duidelijk probeer te maken. En nogmaals: natuurlijke selectie heeft dat soort intelligentie niet.

9. Hij blijft erop hameren dat mutaties kennelijk geen verklaring voor het ontstaan van nieuwe eiwitten zijn. En ik blijf de vraag dan stellen: hoe zijn ze dan wél ontstaan? Wat prof. Rörsch eigenlijk zegt is dit: de genen zijn ontstaan volgens processen die we vandaag niet meer waarnemen in organismen die vandaag niet (meer) bestaan.

10. Dit klinkt veel eenvoudiger dan het in werkelijkheid is. Zelfs voor wat betreft de afstammingsgeschiedenis van de mens is men het er nog niet over eens hoe die precies te reconstrueren aan de hand van dit soort data. Op http://www.sciam.com/1998/0198issue/0198scicit3.html staat een interessant artikel van Scientific American hierover, waar zelfs de recentelijke 'ontdekking' dat Neanderthalers niet in de menselijke geslachtslijn voor zouden komen, weer wordt aangevochten. Een belangrijke opmerking uit dat artikel is dat vaak dit soort reconstructies op basis van enkele genen gemaakt wordt. Bij vergelijkingen tussen niet-verwante soorten kunnen verschillende genen en verschillende methoden verschillende uitslagen geven. De juiste interpretatie is dan diegene, die misschien op onderdelen wel een herziening in de afstammingsboom noodzaakt, maar toch niet in strijd is met de Grote Lijn.

 

   

 

geef hier je feedback over deze pagina of op de inhoud
copyright © 1997-2003, Peter Scheele
een project van WEBinSIGHTs