| door ing. H. Wiegers
'Nu het debat nog'. Dit zinnetje stond in de
krant van 24 november naar aanleiding van de verschijning
van het boek van Peter Scheele Degeneratie, het einde
van de evolutietheorie.
Maar dat is niet het enige, want de schappen
van de boekhandels bevatten tientallen boeken over evolutie.
Ook (wetenschappelijke) tijdschriften laten regelmatig van
zich horen als het over dit onderwerp gaat.
Zo verscheen in Intermediair het artikel 'Vraag
het aan Darwin' (21-08-'97), waarin duidelijk de onduidelijkheid
uitkomt van de stand van zaken: de evolutietheorie is een
idee dat iedereen naar eigen smaak kan aanpassen en waarmee
je eigenlijk alles kunt verklaren.Een bladzijde verder lees
je: ,,de evolutietheorie is hard op weg een van de hoekstenen
van ons mensbeeld te worden''. De auteurs komen tot die uitspraak
nadat ze stelden: ,,al dit (door hen genoemde H.W.) vrijelijk
gebruik van Darwins inzichten doet inmiddels hopeloos ouderwets
aan''. Ze wijzen vervolgens op de invloed van de sociobiologie
(sinds 1975). Maar ook hier komt de onzekerheid duidelijk
om de hoek kijken: ,,sommige theorieën zijn niet te toetsen
- en toch o zo verleidelijk... Het is allemaal leuk bedacht
maar onbewijsbaar''. En ze concluderen in de slotzin: ,,met
de evolutie kun je vele kanten op''.Alleen al uit een artikel
als dit blijkt dat we hier niet met biologie hebben te maken,
maar met een bio-filosofie. En dat is geen natuurwetenschap,
maar levensbeschouwing.
Soap
Twee weken later beëindigt Enserink het artikel 'Darwins zendelingen'
met deze zin: ,,Echt populair wordt het onderwerp evolutie
pas als het de ingrediënten van een soap bevat of verkondigd
wordt met de overtuigingskracht van een zendeling'' (Intermediair
04-09-'97).Uitgaan van verklaarbare feiten alleen is er kennelijk
niet bij. Daarom stopt Hulspas de zaak maar de in 'black box'
van het leven (Intermediair
|
11-09-'97): 'Men neme een eicel'.
En H. de Pol schrijft: 'Niet DNA, maar eicel bepaalt ontwikkeling'
(Intermediair 09-10-'97).Daar komt nog geen hoeksteen voor het
mensbeeld uit, vgl. Marcel van de Brugh in de NRC van 16-08-'97:
'Opschudding in het dierenrijk': 'DNA-onderzoek brengt onverwachte
verbanden aan het licht en schudt traditionele evolutiestambomen
stevig door elkaar''.Geen wonder dat bij een dergelijke stand
van zaken Peter Scheele zegt: ,,Laten we eens kijken naar de
feiten en daarover zakelijk discussiëren. Wie deze discussie
uit de weg gaat, erkent m.i. daarmee impliciet dat de interpretatie
van de feiten voor hem geen wetenschappelijke, maar een filosofisch/levensbeschouwelijke
zaak is. Er zou al veel gewonnen zijn als dat werd erkend en
feiten van interpretaties zouden worden onderscheiden.''Het
interessante is dat in dit opzicht het werk van Scheele voor
een groot deel te vinden is in een Duitse publicatie, die hem
kennelijk is ontgaan, maar daardoor juist de mogelijkheid biedt
tot toetsing. Ik doel hier op het werk van twee biologen die
met medewerking van andere academici het zgn. basis-typen-model
hebben ontwikkeld, te vergelijken met Scheele's theorie over
oer-typen, verkregen door typologische differentiatie: Entstehung
und Geschichte der Lebewesen' 1986 1e druk, 1988 2e druk, auteurs:
dr. R. Junker en prof. dr. S. Scherer (Weyel, Giessen).Junker
c.s. verschillen daarin met Scheele, dat bij hen de gevolgen
van degeneratie, al worden ze duidelijk erkend, geen cruciale
rol spelen. In dat opzicht biedt Scheele m.i. een prachtig en
plausibel model.Aan de andere kant wijzen Junker c.s. op het
belang van de 'Geboden voor een wetenschappelijke ethiek', opgesteld
door de Freiburgse bioloog Hans Mohr, voor een zakelijke wetenschappelijke
discussie (Biologische Erkenntnis, 1981, Stuttgart).Mohrs twaalf
eisen bestaan uit de volgende reeks: 1. eerlijkheid, 2. geen
dogmatisme, 3. nauwkeurigheid, 4. fairheid, 5. vrijheid van
vooroordelen, 6. in rekening brengen van alle beschikbare informatie,
7. voortdurende bereidheid een probleem op te lossen, 8. symmetrische
argumentatie (d.w.z.
|
toets alternatieven t.o.v. jouw hypothese
met dezelfde zorgvuldigheid), 9. gebruik duidelijke begrippen,
10. formuleer nauwkeurig en controleerbare als-dan stellingen,
11. bereidheid tot aanpassing of vervanging van theorieën als
innerlijke tegenstrijdigheden opduiken of vanwege nieuwe feiten
die voor de hand liggen, 12. vermijd onnodige ingewikkelde hupothesen.Junker
en Scherer laten zich, wat betreft hun alternatieven t.o.v.
de evolutietheorie, op deze regels aanspreken. Het lijkt me
interessant de reacties op het boek van Peter Scheele aan deze
regels te toetsen, bij alle partijen.
Creationisme
Wat christen-wetenschappers betreft is Scheele m.i. niet objectief
t.o.v. creationisten. In Visie (week 46, 9/15 nov. '97) lees
ik namelijk: ,,Zij (de creationisten H.W.) zetten hun geloofsargumenten
tegenover de evolutietheorie.'' (p.15).Van de door hem met
instemming geciteerde Michael J. Behe (auteur van Darwin's
Black Box) lees ik in Natuur en Techniek (okt.'97) een interessante
bespreking, waaruit ik citeer: ,,Behe (laat) doorschemeren
dat hij sympathie heeft voor het creationisme....'' (p.49)
en ,,Behe tracht in dit boek wetenschap zo zuiver mogelijk
te benaderen en daarbij de goede gedachten uit onder andere
het creationisme te betrekken''. (p.50) In 1988 schreef ik
daarover in deze krant 'Waardering voor 'creationistisch'
onderzoek ook bij evolutionisten' (n.a.v. Gentry's bewijs
voor een jonge aarde).Ten slotte verwijs ik naar prof. dr.
H.A.M. Snelders, die in Wetenschap, Cultuur en Samenleving
(okt. '95) schreef: ,,Het is moeilijk van 'creationisten'
te zeggen dat ze geen goed wetenschappelijk werk zouden verrichten''.
(Zie voor een verdere uitwerking de paragraaf 'Loonstra's
eerbied voor de natuurwetenschap', Amersfoortse Studies, nr.
23).Scheele heeft een boeiend boek geschreven (al is het geen
lichte kost), waar een christen-bioloog m.i. niet omheen kan.
Ing. H. Wiegers is geoloog.
|