Ingezonden brief op Column Intermediar 08-01-98

 

De column van Marcel Hulspas staat op http://www.bpa.nl/intermediair/Weekblad/januari98/hulspas2.html
Commentaar van Peter Scheele daarop staat hier.
Twee ingezonden brieven staan hier
Mijn ingezonden brief staat hier
Een vierde ingezonden brief staat hier

twijg.gif (3076 bytes)

 

De redactie van Intermediair heeft mijn brief ingekort. Alleen het rode is als ingezonden brief geplaatst.

 

"KOE VAN EEN FOUT" BETREFT HULSPAS ZELF?

In de intermediair van 8 januari beschuldigt Marcel Hulspas mij van "een koe van een fout" in een argument dat ik aandraag in mijn boek Degeneratie, het einde van de evolutietheorie. Daarin poog ik op wetenschappelijke gronden aan te tonen dat macro-evolutie genetisch onmogelijk is.
Het gaat om het gegeven dat minstens tweederde van de genen van alle dieren geen enkele variatie vertoont, wat betekent dat evolutie in essentie niet plaats zou vinden. De "tragische" fout is dan dat "die tweederde geen betrekking heeft op de variatie door mutaties maar op het fenomeen heterozygotie: we hebben van alle genen in principe steeds twee exemplaren - één van pa en één van ma".
De conclusie van Hulspas is dat dat "niets te maken heeft met het verdragen van mutaties".

Als ik het in mijn eigen woorden mag zeggen bedoelt Hulspas waarschijnlijk dit: het niet vóórkomen van variatie heeft niets te maken met het niet mogelijk kunnen zijn van mutaties. In plaats van dat Hulspas nu ingaat op de redenatie die ik baseer op genoemd gegeven, stopt hij hier, alsof daar alles mee gezegd is. Terwijl het niet zozeer om het gegeven zelf gaat, maar om de verklaring ervan. Tenminste tweederde van de genen die niet-variabel zijn in elke diersoort, vraagt om een verklaring. Hoe komt dat? Hulspas geeft daar het antwoord niet op en ik ben het ook niet tegengekomen in de evolutionistische literatuur. Grofweg zijn er twee mogelijkheden die allebei even hard tegen een macro-evolutionistische visie getuigen.

De eerste is dat genen zo enorm intolerant zijn tegen minimale wijzigingen dat ze gedurende miljoenen jaren door selectie bewaard zijn gebleven in een soort. Als dit zo blijkt te zijn (en veel gegevens laten inderdaad zien dat één enkele mutatie het hele functioneren van een gen lam kan leggen), dan is 'evolutie' van zo'n gen gewoon onmogelijk.
Een andere mogelijkheid is dat er eenvoudigweg de tijd nog niet geweest is om elke mogelijke variant van een gen te doen ontstaan. Dat zou opgaan als de allereerste voorouders van een huidige soort niet ouder zouden zijn dan pakweg zo'n tienduizend jaar. Vanuit evolutionistisch standpunt zijn er echter vele soorten, waaronder de zogeheten 'levende fossielen' of ook de haaien, die zich al gedurende miljoenen jaren hebben kunnen handhaven. Waarom komt bij deze soorten bij tweederde van de genen nog niet de minste variatie voor?

Of bedoeld Hulspas te zeggen dat dergelijke variaties wél voorkomen? Maar dat die alleen niet de "klassieke allelen" opleveren die dominant of recessief zijn? Laten we daarom een van de drie citaten (uit evolutionistische bron) maar eens bekijken waar dit gegeven vandaan komt:

Ongeveer een derde van de structurele genen zijn polymorfisch, en de gemiddelde heterozygose in een populatie over alle loci bekeken is ongeveer 10%. Dit betekent dat als je het genoom van welke soort dan ook scant, dat laat zien dat in elke populatie ongeveer 1 op de tien loci heterozygoot is en dat ongeveer een derde van alle loci in elke populatie twee of meer verschillende allelen heeft.
Genetic Analysis, blz. 784

Omdat het hier duidelijk gaat over genen die polymorfisch zijn (dat is: verschillende verschijningsvormen hebben) en over het scannen van het genoom (dat is: het 'bitje' voor 'bitje' aflezen van het gehele DNA van elk individu) betekent dit dat alle variatie hierdoor inbegrepen is. Zowel de "klassieke" als de "variatie door mutaties" waar Hulspas het over heeft. Óf het moet zijn dat deze bronnen onbetrouwbare informatie geven, óf Hulspas maakt zelf "een koe van een fout".

Nog een andere mogelijkheid is dat Hulspas bedoelt dat genen met vergelijkbare functies tussen niet-verwante soorten sterk overeenkomen. Theoretisch kan er dan een evolutionaire 'afstammingsgeschiedenis' gemaakt worden dwars door al die soorten heen, op basis van de verschillen die er zijn. Grofweg krijg je dan dezelfde indeling als op basis van uiterlijke kenmerken gemaakt zou kunnen worden. Dit is geenzins verwonderlijk omdat 'eenvoudiger' organismen ook 'eenvoudiger' componenten (genen) zullen hebben.
Het probleem is dat dergelijke reconstructies volledig gebaseerd zijn op de aanname dat zo'n evolutionaire ontwikkeling plaatsgevonden heeft. Ze bewijzen het in geen geval. Zeker niet als blijkt dat deze genen binnen een soort helemaal níet (kunnen) variëren. Omdat een aanname nooit vervolgens als bewijs mag gelden, zou je ook hier terecht van een "koe van een fout" aan de zijde van Hulspas mogen spreken.

Het getuigt in de eerste plaats niet van veel overredingskracht als Hulspas mij domweg beschuldigt van een kolossale fout, zonder zelf veel verder te komen dan die bewering alleen. Vervolgens blijkt dat de discussie geenzins gesloten is met zijn opmerkingen, maar daar juist begint en hij de betreffende argumentatie niet eens aanroert. Het is jammer dat met dit soort voorbarige en onterechte beschuldigingen degenen in discrediet gebracht moeten worden, die toevallig niet onmiddelijk met hun neus in dezelfde richting staan als het gros van de atheïstische wetenschappers.

Peter M. Scheele
Auteur Degeneratie, het einde van de evolutietheorie

 

   

 

geef hier je feedback over deze pagina of op de inhoud
copyright © 1997-2003, Peter Scheele
een project van WEBinSIGHTs