De redactie van Intermediair heeft mijn brief
ingekort. Alleen het rode is als ingezonden brief geplaatst.
"KOE VAN EEN FOUT" BETREFT HULSPAS ZELF?
In de intermediair van 8 januari beschuldigt Marcel Hulspas mij
van "een koe van een fout" in een argument dat ik aandraag
in mijn boek Degeneratie, het einde van de evolutietheorie.
Daarin poog ik op wetenschappelijke gronden aan te tonen dat macro-evolutie
genetisch onmogelijk is.
Het gaat om het gegeven dat minstens tweederde van de genen van
alle dieren geen enkele variatie vertoont, wat betekent dat evolutie
in essentie niet plaats zou vinden. De "tragische" fout
is dan dat "die tweederde geen betrekking heeft op de variatie
door mutaties maar op het fenomeen heterozygotie: we hebben
van alle genen in principe steeds twee exemplaren - één van pa
en één van ma".
De conclusie van Hulspas is dat dat "niets te maken heeft
met het verdragen van mutaties".
Als ik het in mijn eigen woorden mag zeggen bedoelt Hulspas waarschijnlijk
dit: het niet vóórkomen van variatie heeft niets te maken
met het niet mogelijk kunnen zijn van mutaties. In plaats
van dat Hulspas nu ingaat op de redenatie die ik baseer op genoemd
gegeven, stopt hij hier, alsof daar alles mee gezegd is. Terwijl
het niet zozeer om het gegeven zelf gaat, maar om de verklaring
ervan. Tenminste tweederde van de genen die niet-variabel zijn
in elke diersoort, vraagt om een verklaring. Hoe komt dat? Hulspas
geeft daar het antwoord niet op en ik ben het ook niet tegengekomen
in de evolutionistische literatuur. Grofweg zijn er twee mogelijkheden
die allebei even hard tegen een macro-evolutionistische visie
getuigen.
De eerste is dat genen zo enorm intolerant zijn tegen minimale
wijzigingen dat ze gedurende miljoenen jaren door selectie bewaard
zijn gebleven in een soort. Als dit zo blijkt te zijn (en veel
gegevens laten inderdaad zien dat één enkele mutatie het hele
functioneren van een gen lam kan leggen), dan is 'evolutie' van
zo'n gen gewoon onmogelijk.
Een andere mogelijkheid is dat er eenvoudigweg de tijd nog niet
geweest is om elke mogelijke variant van een gen te doen ontstaan.
Dat zou opgaan als de allereerste voorouders van een huidige soort
niet ouder zouden zijn dan pakweg zo'n tienduizend jaar. Vanuit
evolutionistisch standpunt zijn er echter vele soorten, waaronder
de zogeheten 'levende fossielen' of ook de haaien, die zich al
gedurende miljoenen jaren hebben kunnen handhaven. Waarom komt
bij deze soorten bij tweederde van de genen nog niet de minste
variatie voor?
Of bedoeld Hulspas te zeggen dat dergelijke variaties wél voorkomen?
Maar dat die alleen niet de "klassieke allelen" opleveren
die dominant of recessief zijn? Laten we daarom een van de drie
citaten (uit evolutionistische bron) maar eens bekijken waar dit
gegeven vandaan komt:
Ongeveer een derde van de structurele genen zijn polymorfisch,
en de gemiddelde heterozygose in een populatie over alle loci
bekeken is ongeveer 10%. Dit betekent dat als je het genoom
van welke soort dan ook scant, dat laat zien dat in elke populatie
ongeveer 1 op de tien loci heterozygoot is en dat ongeveer een
derde van alle loci in elke populatie twee of meer verschillende
allelen heeft.
Genetic Analysis, blz. 784
Omdat het hier duidelijk gaat over genen die polymorfisch
zijn (dat is: verschillende verschijningsvormen hebben) en over
het scannen van het genoom (dat is: het 'bitje' voor 'bitje'
aflezen van het gehele DNA van elk individu) betekent dit dat
alle variatie hierdoor inbegrepen is. Zowel de "klassieke"
als de "variatie door mutaties" waar Hulspas het over
heeft. Óf het moet zijn dat deze bronnen onbetrouwbare informatie
geven, óf Hulspas maakt zelf "een koe van een fout".
Nog een andere mogelijkheid is dat Hulspas bedoelt dat genen
met vergelijkbare functies tussen niet-verwante soorten
sterk overeenkomen. Theoretisch kan er dan een evolutionaire 'afstammingsgeschiedenis'
gemaakt worden dwars door al die soorten heen, op basis van de
verschillen die er zijn. Grofweg krijg je dan dezelfde indeling
als op basis van uiterlijke kenmerken gemaakt zou kunnen worden.
Dit is geenzins verwonderlijk omdat 'eenvoudiger' organismen ook
'eenvoudiger' componenten (genen) zullen hebben.
Het probleem is dat dergelijke reconstructies volledig gebaseerd
zijn op de aanname dat zo'n evolutionaire ontwikkeling
plaatsgevonden heeft. Ze bewijzen het in geen geval. Zeker
niet als blijkt dat deze genen binnen een soort helemaal níet
(kunnen) variëren. Omdat een aanname nooit vervolgens als
bewijs mag gelden, zou je ook hier terecht van een "koe
van een fout" aan de zijde van Hulspas mogen spreken.
Het getuigt in de eerste plaats niet van veel overredingskracht
als Hulspas mij domweg beschuldigt van een kolossale fout, zonder
zelf veel verder te komen dan die bewering alleen. Vervolgens
blijkt dat de discussie geenzins gesloten is met zijn opmerkingen,
maar daar juist begint en hij de betreffende argumentatie niet
eens aanroert. Het is jammer dat met dit soort voorbarige en onterechte
beschuldigingen degenen in discrediet gebracht moeten worden,
die toevallig niet onmiddelijk met hun neus in dezelfde richting
staan als het gros van de atheïstische wetenschappers.
Peter M. Scheele
Auteur Degeneratie, het einde van de evolutietheorie