De reputatie van Ernst Heackel, een
van de beroemdste Duitse biologen van de negentiende eeuw, heeft
een ernstige deuk opgelopen. De britse embryoloog dr. Michael
Richardson beschuldigt Haeckel ervan gefraudeerd te hebben met
diens onderzoeksgegevens. Richardson is van mening dat Haeckels
zogenaamde 'biogenetische grondwet' - die generaties biologen
en artsen uit het hoofd hebben moeten leren - een vervalsing
is.
Volgens deze theorie beginnen alle diersoorten -
ook de mens - in een praktisch identiek embryonaal stadium om
vervolgens in de verdere stadia voor de geboorte in een versneld
tempo de evolutie van de soort in zijn geheel nog eens te doorlopen.
Ofwel in de termen van Haeckels biogenetische grondwet: de ontogenie
(de ontwikkeling van het individu) is een verkorte samenvatting
van de fylogenie (de ontwikkeling van de soort).

|
Haeckel onderbouwde deze bewereing
met een fraaie prent waarin zichtbaar wordt hoe de vis, de salamander,
de schildpad, de kip, het varken, de koe, het konijn en de mens
zich allemaal ontwikkelen uit dezelfde embruonale basisvorm,
waarna ze pas geleidelijk hun karakteristieke gedaante krijgen.
Al geruime tijd namen veel wetenschappers Haeckels
ideeën over het algemene eerste embryonale stadium met een korreltje
zout. Niettemin blijken die ideeën door hun eenvoud steeds opnieuw
een grote aantrekkingskracht te hebben, waardoor Haeckels tekening
in een gewijzigde vorm nog steeds voortbestaat in zulke gezaghebbende
werken als Gray's Anatomy Developmental en Gilbert's
Biology ongetwijfeld mee.

|
Daarbij speelt dat de meeste embryologen
zich bij hun onderzoek beperken tot de gebruikelijke laboratoriumdieren:
vissen, salamanders en schildpadden bijvoorbeeld, zijn voor
hen onbekend terrein.
Richardson heeft nu, samen met een internationaal
team van medewerkers, het onderzoek van Haeckel overgedaan (Anatomy
and Embryology, 1997;196:91-106). Ze hebben daarbij gebruik
gemaakt van de grote collectie embryo's van het Nederlands instituut
voor Ontwikkelingsbiologie in Utrecht. Bij de tientallen diersoorten
die ze onderzochte, zagen Richardson en zijn medewerkers helemaal
geen zelfde eerste embryonale stadium. Integendeel: ze troffen
daarin grote variaties in vorm aan als gevolg van een heel verschillend
lichaamsplan en een verschillend aantal somieten (de oersegmenten
van het embryo).

|